donderdag 21 maart 2019



Het is lente vandaag, zei de weerman. 
De wolken schoven niet open, op straat
werd er weggekeken en toen de tram kwam
verdrong de massa zich om een zitje
dat onvindbaar was. Rood werd groen,
de bocht maakte een schurend geluid 
en de harmonie van het park werd verstoord
door krijsende kinderen die Peter Benoit 
had leren zingen.

Maar daarna kwam ik. Vastbesloten vandaag
om er iets van te maken. De hemel merkte het
toen ik mijn toverspreuk sprak die de toonladder
voor een beiaard werd, hamerend brons 
dat vrijen wilde met de zon. Een hond sprong op
naar mijn glimlach, de leiband liet hem begaan
en schonk mij het teken om me gewonnen te geven, 
mijn jaren naar beneden te klimmen en blij te zijn
dat een jong lichaam de nieuwe lente had voorgesteld.

Helios kwam even piepen: 
het was een zuinig begin. 

maandag 18 maart 2019


Als sneeuw die te lang heeft gewacht
komen waterbubbels voor mijn lippen
in het aquarium met de gapende vis
waar ik woorden kom zoeken 
om jouw koele kijken in mijn ziel 
te herkennen in een stille passage
van je stem. 

Sneeuw, spreek over vergeten meren.
Tussen bergen die zich vulden met zintuigen
en ballades, smeltend in een ganzenveer. 
We zaten er te vissen, ik aan de rand 
van het donkere water, jij als een schim
aan de overkant, lichtend in de winter
die ik als boter had meegenomen.

Sneeuw, sprekende vlagen van gebleven liefde.
Herinnering zwemt voor mijn ogen,
gevangen in de tijd. Zuurstof borrelt op
en het is wachten op de gapende mond
waaraan verlangens niet weerstaan.
Sneeuw — niet langer dreigen.
Ik wil me zien rollebollen in de vallei

waar ik kwam picknicken met mijn dromen.

maandag 11 maart 2019


Als je ziek bent, vragen mensen 
hoe het met je gaat — 
vijf woorden,
maar het antwoord is altijd 
een kwadraat 
waarmee je niemand wil lastig vallen.

Vierkantswortel, dan maar,
omdat de narigheid er niet toe doet:
‘het gaat goed met me.’ 
Oh. 
Dan lijkt het
alsof je iets verbergt. 
Kort en bondig past niet
bij een ernstige ziekte.

Dus moet je amenderen,
beleefdheidshalve: 
‘Over de details zullen we zwijgen.’  
Als een voetnoot, 
die je ad nauseam kan herhalen.

Je dankt voor het beloofde beterschap
en onthoudt de vriendschap, 
die nooit te veinzen valt.


maandag 25 februari 2019



In het raam vandaag: jonge pochhans, 
blik omhoog naar de vluchtige overwinning 
van een streepje februarizon
tussen twee oude huizen.

Achter mij de radio: 
vergangen winter, stille gloed
van een negro spiritual 
waarop de koude wereld wiegen wil.

Mooie lente om de hoek, verwonderd 
gilmlachend naar de jongen
die haar toekomst is: ben je daar weer?
Op mijn smalle strook van wachten.

Ik zwaai naar je, maar dat kun je niet zien.
Hoe ik blij kan zijn met de strenge liefde 
die voor jullie uit de radio is gevallen, 
als een god uit zijn stralende rol.


zaterdag 9 februari 2019


Mijn hart, sissend en blazend, 
was een verraderlijke woestijn. 
Kamelen, strompelende schaduwen 
in avondrood, trokken in karavaan 

langs deze horizon van woorden:
stille slangen, vergankelijke duinen 
die hoog opgaven over de wind 
die hen voortdreef in mijn teksten. 

Ik sluit nu mijn ogen voor wat korrels 
van verleden. Open ze dan opnieuw. 
Zie nog sporen van jeeps en buggies 
en andere platwalsers met snelheid. 

Depressies werden geen zandstormen 
voor verdwalende would-be avonturiers. 
O nee — ze lieten achtergebleven stilte
de schat zijn waar ik niet zonder kan.

En toen — in een luwe zomer kwam jij. 
Je klonk als water in de oase-nacht, 
viel als een zaadje van liefde 
in de laatste ribbel, frivool als dit vers. 

JIj. Open boek dat gelezen werd, 
’s avonds voor het slapen gaan, 
in een zoen tegen de rug 
van een geknielde kameel. 

zaterdag 26 januari 2019


Een half uur voor ik vertrok naar de buitenkou
nam ik afscheid van mijn centrale verwarming
en koesterde de blijvende binnenwarmte 
als een bron van verdovende gezelligheid 
die langzaam doven zou. 

De vrije temperatuur zakte zienderogen
en mijn verlangen om me af te sluiten werd gauw
een excuus om te vergeten wie er op me wachtte,
daar ginds in de slopende winter: wie me nodig had,
zonder dat ik het wist, zonder dat ik het kon zien.

Ik trok mijn jas aan en doofde het snoevende licht. 
De kamer was boos: ben ik niet goed genoeg
voor jou? Tafel en stoel beaamden haar, ontgoocheld.
Ik luisterde naar het laatste kraken van het hout
en klapte de deur achter me dicht, mezelf troostend

dat ik op weg was, eindelijk weer grandioos op weg
naar de warmste, mooiste medemens van de hele 
verdomd koude wereld die me nerveus verplichtte 
om vroeger dan laat snelle stappen te ondernemen. 
O hemel van winter, ik was eindelijk weer op weg 

naar jou.

vrijdag 18 januari 2019



Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
in de ramp van het alleen zijn. Begrijp maar niet

waarom ik met avances mors. Die pijn 
heb ik nodig om een clash te beleven

tussen plonzend verlangen 
en moerassige stiltepracht

met haar dotters van geurige woorden,
lankmoedig verdwijnen in een diepte 

waar de ontreddering galmt van ken-je-me-nu
in mijn spiegelbeeld dat als gestenigd trilt.

De roerselen zijn bescheiden, warme taal prevelt 
schroom over de puinzooi van nakende nacht.

Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
wanneer jij naast me loopt, onschuldig lichaam

dat een voorrecht wil worden in dit hoofd.
Hoop, bloot, zacht en donker in de zonneslaap,

mag duren tot het tijd wordt voor de cape
over je getatoeëerde vleugels. In doodse kou

lacht de maan, als koffiemelk zo vet,
omdat ik op Icarus lijk. Hoor: een snerende vogel

is jaloers op wat ons samenbracht. Laat gaan
wat ik niet weet, omarm wat je niet kent, zoen 

nu het nog kan deze mond die niet zwijgen wil, 
loop met mij naar het aardedonker van de liefde

en vertel vooral niemand 
waar het wij geboren werd.