vrijdag 20 oktober 2017


vroeger, in het café om de hoek
tikte een typemachine
mijn thesis met hetzelfde gemak
als een liefdesbrief

mijn studentenleven was een krant, 
mijn puberaal gevoel de column 
om met mei ’68-woorden 
een strijdbaar hart te veroveren 

onder een broos peertje licht: 
klinkende schets voor een gedicht
dat onverschillige toekomst 
met zacht geweld zou betoveren

vandaag word ik in razend tempo
oud, in het besef dat het internet 
wel ergens van me houdt,
in een verre uithoek van dat verleden

waar liefde tijdloos wil opstijgen
zonder een letter van de grond te krijgen
omdat ik verdwaald ben in een café
tussen emoties die zijn verschaald 

dorst begint wanneer het bier op is
de hele dag zinloos zwoegen eist
en herinnering de aalmoes wordt 
in een halfgesloten hand:

weet je nog,
die glimlach
in de kroegen

zodra de obers sloten

zondag 8 oktober 2017


Ik woon op een boogscheut 
van mezelf, golven worden deeltjes
en ik wandel heen en weer tussen stilte
en de fotonen van een droom.

Hoe jij daar verschijnen kon, 
altijd een oude meester van de liefde, 
een vreemde vogel met vliegend penseel, 
aquarel van licht in duistere verbeelding.

Zo neem ik je mee, kleine medeplichtige
aan de donkere ecologie van een geluk
dat haast niets behoeft, tenzij het ja
dat ik als een versleutelde code bewaar.

Ik woon in een parallel universum
waar in het verleden wordt gekeken,
niet vooruit naar de stoerdoenerij van tijd.
Daar flikker jij zoals je was, koorddansend


op mijn hoop van hier naar nergens. 

dinsdag 26 september 2017

Je trilde als een madeliefje
dat te vroeg is opgestaan
in mijn late winter
van verdriet

benut de dag, zei je, 
maar ik liet ze liggen,
tussen hazelnoten
en verdorde bloemen

pluk de avond, lachte ik: 
over een stoel hing je T-shirt
met de naam 
van een nachtclub

stokstijf stond ik bij een vaas 
met overhangende geraniums
toen zette de zon je woning 
op de noen in lichterlaaie

later kwam regen zich moeien 
met de muf geurende stilte
van oude foto’s — opeens wilde je
gaan wandelen met mij

een ijzeren brug over het kanaal 
bood onderdak aan dakloze sterren 
onder mijn plu leerde ik je vasthouden 
in de knuffelsessie van mijn liefde 

het uitspansel speelde me parten 
striemend water viel op het lawaai 
van een verdwenen vallei — samen
ontdekten we waar meteorieten 

hun vrijheid voor ons jatten
en dat was goed, hoe laat het ook was
en niemand die het wist, niemand

om de regen te verjagen

vrijdag 15 september 2017

ik wist niet waarom ik uit de bol ging
toen ik je ontmoette –
misschien wilde ik de wereld
op zijn kop zetten
voor jou

ik wist niet waarom ik regen nodig had
toen ik je weerzag –
misschien wilde ik de bomen
doen buigen
voor jou

ik dacht dat er rust zou komen
na onze stroompanne in de hel –
dat de bladeren weer zouden vallen
op de aarden fietspaden van onze flirt
vroeg of laat

misschien wilde ik vrij blijven
om ongenadig hard te zijn voor mezelf
in mijn herinnering aan jou
terwijl ik je favoriete boeken
netjes orden in mijn bibliotheek


de weerman, glimlachend, schakelt over
op zijn fraaie studiemeestertoontje
en ik besluit, als eerste stralen na een bui
om zelf het mooie weer te maken
voor jou

vrijdag 1 september 2017

We zijn als een carrousel 
stilgevallen in de regen.

We wachten op een nieuwe dag
met de belofte van een zegen

dat alles weer draaien zal
en vals zingen als een kermis
bij de oude kerk, in opbouw
terwijl de boeren oogsten

en anderen het gnuivend paard 
van onze liefde naar huis brengen 

in een gedicht vol schoonheid 
die iedereen kent en weer opgooit, 
als hooi uit een ander seizoen.

Moedige papaver op de kasseiweg
van hoop. In geen weiden
meer te vinden. 

Toch blijft de toekomst 
in het dorp waar jongens hun meisjes
en meisjes hun jongens bietsen

om samen op en neer te gaan
tot hoog boven de haan
in een opgestoken wind.

Kermis, zeggen ze, 
keert jaarlijks terug. Dat feest

in de leegte.

zaterdag 26 augustus 2017

mozart, help me: 
het is een gedicht in mineur,
dit bestaan van mij, 

ik dreg naar betekenis
die in stijgende toonladders op zoek is
naar hogere regionen van soortelijk gewicht

en jij weet daar alles van

ook jij hebt ja gezegd
tegen teveel dingen in het leven
ze achtervolgen ons op een preutse piano
met moltekens van ondergrondse tijd
doorgebracht in klasse bars 
vol kruisen van weemoed

componisten zijn als welgestelde ouders
dol op mij, hoe ik hun zaadjes van bewustzijn
uitstrooi over de toetsen die me testen willen
wanneer ik nee zeg tegen de roepende plicht

van woorden temmen 

in een muzikaal gedicht

woensdag 16 augustus 2017

Schelpen.

Ze dragen het verstand van de zee.
Ze ademen het licht van verlaten stranden.
Ze bespioneren benen en buik,
overspoelen met vergeten tijden
de verloren lopende angst van een kind.

Schelpen.

Ze gaan nooit dood en drogen nooit uit.
Verstoppen het leven in een zone van honger.
Zie ik hen liggen, raap ik hen op en word jonger.
Weet weer wat vrijen was, dromen in rul zand
en hopen dat de buit mee naar huis mocht.

Schelpen.

Lof en erkenning zonder dat ik ernaar zocht.
Ruisend ongelukkig-zijn van zilte eeuwen.
En altijd dat beamen van krijsende meeuwen.
Zal dit de toekomst zijn? dacht ik als kind.
Zag een koppel giechelend rollen, in de wind.

Schelpen.