Mijn slecht herkende liefde waarvoor ik zwijgen moet
is een weggesprongen genster met meereizende nacht,
zet het dak van mijn schedelherberg in lichterlaaie.
God is niet meer, opgegaan in rook, raadsel van roet
in verzen die al fresco glimmen. Zijn pen ademt, zacht.
Onirische woorden verward met slapende poezen. Ze logen
terwijl we samen hoopten dat de roes zou liggen gaan
en ik nu, op een dijk met gras, tegen een kater tater.
Dood kan een huis vullen, een herinnering aan later,
het sterrengefonkel ontsteken op een leven hier vandaan.
Ik haal geheimen in en leg een hand op hun bange ogen.