zaterdag 9 februari 2019


Mijn hart, sissend en blazend, 
was een verraderlijke woestijn. 
Kamelen, strompelende schaduwen 
in avondrood, trokken in karavaan 

langs deze horizon van woorden:
stille slangen, vergankelijke duinen 
die hoog opgaven over de wind 
die hen voortdreef in mijn teksten. 

Ik sluit nu mijn ogen voor wat korrels 
van verleden. Open ze dan opnieuw. 
Zie nog sporen van jeeps en buggies 
en andere platwalsers met snelheid. 

Depressies werden geen zandstormen 
voor verdwalende would-be avonturiers. 
O nee — ze lieten achtergebleven stilte
de schat zijn waar ik niet zonder kan.

En toen — in een luwe zomer kwam jij. 
Je klonk als water in de oase-nacht, 
viel als een zaadje van liefde 
in de laatste ribbel, frivool als dit vers. 

JIj. Open boek dat gelezen werd, 
’s avonds voor het slapen gaan, 
in een zoen tegen de rug 
van een geknielde kameel. 

zaterdag 26 januari 2019


Een half uur voor ik vertrok naar de buitenkou
nam ik afscheid van mijn centrale verwarming
en koesterde de blijvende binnenwarmte 
als een bron van verdovende gezelligheid 
die langzaam doven zou. 

De vrije temperatuur zakte zienderogen
en mijn verlangen om me af te sluiten werd gauw
een excuus om te vergeten wie er op me wachtte,
daar ginds in de slopende winter: wie me nodig had,
zonder dat ik het wist, zonder dat ik het kon zien.

Ik trok mijn jas aan en doofde het snoevende licht. 
De kamer was boos: ben ik niet goed genoeg
voor jou? Tafel en stoel beaamden haar, ontgoocheld.
Ik luisterde naar het laatste kraken van het hout
en klapte de deur achter me dicht, mezelf troostend

dat ik op weg was, eindelijk weer grandioos op weg
naar de warmste, mooiste medemens van de hele 
verdomd koude wereld die me nerveus verplichtte 
om vroeger dan laat snelle stappen te ondernemen. 
O hemel van winter, ik was eindelijk weer op weg 

naar jou.

vrijdag 18 januari 2019



Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
in de ramp van het alleen zijn. Begrijp maar niet

waarom ik met avances mors. Die pijn 
heb ik nodig om een clash te beleven

tussen plonzend verlangen 
en moerassige stiltepracht

met haar dotters van geurige woorden,
lankmoedig verdwijnen in een diepte 

waar de ontreddering galmt van ken-je-me-nu
in mijn spiegelbeeld dat als gestenigd trilt.

De roerselen zijn bescheiden, warme taal prevelt 
schroom over de puinzooi van nakende nacht.

Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
wanneer jij naast me loopt, onschuldig lichaam

dat een voorrecht wil worden in dit hoofd.
Hoop, bloot, zacht en donker in de zonneslaap,

mag duren tot het tijd wordt voor de cape
over je getatoeëerde vleugels. In doodse kou

lacht de maan, als koffiemelk zo vet,
omdat ik op Icarus lijk. Hoor: een snerende vogel

is jaloers op wat ons samenbracht. Laat gaan
wat ik niet weet, omarm wat je niet kent, zoen 

nu het nog kan deze mond die niet zwijgen wil, 
loop met mij naar het aardedonker van de liefde

en vertel vooral niemand 
waar het wij geboren werd.

vrijdag 11 januari 2019


mensen met een zware allergie 
voor de genegen glimlach
die soms aan lust voorafgaat
halen hun schouders op 
voor slank gebouwde sympathie

maar waarom zou ik liefde herroepen? 
het is als sterven op een lege matras 
en hoor me piepen in deze verzen:
mijn longen zitten vol lucht 
van woeste nachten 

vroeger keek ik reikhalzend uit
naar het kinderachtig gedoe
van familieknuffels bij thee en roddel:
altijd beter dan weten welke woorden 
ik wiste om iemand te misleiden

in een stille vijandschap 
waarin ik mezelf gevangen hield
omdat ik bang was voor de grenzen  
van elke stille huiver 
die volgde op een liever-niet

zondag 6 januari 2019


Er groeit en bloeit iets moois in mij.
Het is een bloem die na de vlammen
in het woud uit de as verrijst.
Onderweg naar de vierde verdieping.

Ik heb een schriftje geopend op de dag
dat ik jou ontmoette. In de lift stond je
te doen alsof je me niet gezien had.
Er zijn zoveel spiegels als excuus.

Maar toen we stilvielen, en je blik
paniekerig op mij viel, glimlachte ik 
naar jou, alsof het mijn schuld was.
Dat we zo niet verder konden.

Er groeit en bloeit iets moois in mij.
Vraag me niet het te benoemen.
Straks zijn we vertrokken, in het vuur
van onze onmacht

dat op een laag pitje stond. Maar stil,
tussen de regels van mijn schriftje,
ben je tijdloos geworden, jij liefje 
zonder relatie.

woensdag 2 januari 2019




Geen erger gevoel dan de luchthaven bereiken
en vaststellen dat je een boek bent vergeten  
te pakken. Het meisje bij de kranten leest graag
detectives, zo te zien aan haar onderzoekende blik
wanneer je vraagt of ze de wereldliteratuur in huis heeft.
Vreemde vraag, denkt ze, dadelijk vertrek je 
naar de andere kant van de aarde, en nu sta je hier
wat afleiding te zoeken in mijn ogen. Hakken te over, 
en lenige benen die je meenemen naar een uithoekje
met wat afgeprijsde Rumi. Wie had dat gedacht:
exclusieve dertiende eeuw in klein formaat paperback
voor snelle consumptie onder een schuine palmboom
in de toekomst, waar je dromen al zijn aangekomen.

vrijdag 21 december 2018


Ik zou op Kerstmis 
in mijn eentje, bij nacht en ontij
alle problemen voor je willen oplossen
als je me beloven kon
dat je geen sprookje zou voorlezen
bij het slapen gaan.

Ik zou een stille kracht willen zijn 
op je achtergrond, hoewel je daar nooit
iets over zeggen zou 
en nergens anders naar verlangen,
als je me dat beloven zou
vlak voor het slapen gaan.

Ik zou… ach ik zou hopen
dat je op Kerstmis niet weglopen zou
van je innerlijk leven, je bestaan
binnen de vier beschermende muren
van je geloof in mij,
zoals je dat een ander beloven zou

op de valreep van dezelfde slaap
die onze dromen doen wisselen
van beloftevolle eigenaar.