zaterdag 15 december 2018


Wil ik omhoog kijken, naar een vlieger 
die de hemel kleurt? Het is me 
een raadsel. Mijn ogen volgen niet meer. 
Ze zijn verblind door de zon van een einde. 
Ze dwalen in de diepte van een schaduw 

waar schurken een plan smeden 
tegen dit naïeve zelf dat woorden nodig heeft. 
Alsof stilte nooit volwassen werd.

Liefdes. Uitgeleefde trawanten 
met een boekentas vol gespijbelde uren. 
Soms tuimelen ze in het zand van mijn taal. 
Ook dode zielen blijven verantwoordelijk 
voor de blinde vlek van hun zonden.

De oude schoolbel doet me schrikken, 
decennia prutsen met goedkoop effect 
in dit visioen. Ik hoor te begrijpen 
waarom wijsheid in mijn hoofd 
op een plank staat waar ik niet bij kan. 

En wandel verder met mijn strakke stuurlijnen, 
klank van wind in de rug, letters op zak, 
vakantie als een schooldag die niet eindigen wil.

zaterdag 8 december 2018



Ik bracht uren door met
het donker, zoals gezien
door kaarslicht 
in de kleine kamer
waar mijn zorgen wonen.
De haven was er, de wind,
het raam met de suggestie 
van onderkoelde regen

en verder hoorde ik de stille roep 
van landen die ik nooit bezocht heb,
kale vlakten met rode papavers,
stille boeken die ik wilde schrijven.
Op een Russisch ikoontje 
stak Sint-Joris zijn draak neer
net toen ik een slokje water nam
om sneller in te slapen vannacht.

Eindelijk kwam de droom
waarop ik had gewacht.
Zacht zoeven van vrijheidsvleugels.
Witte krokussen voor een vroege lente,
nomadenhut met hout en vlammen, 
bewoond door oude wensen, flessen wijn,
de precaire uitzinnigheid van een fuifnummer
met een liefdesverhaal dat niet rond was.

Ik danste met schaduwen op krakend hout
en zag ze kleiner worden bij de deur,
waar een elleboog het licht doofde.
Het bloed van de draak sijpelde binnen, 
mijn toekomst vloog open. Ik werd verdreven 
door de kou van onbestaande teksten.
Daar: een briesend paard wachtte bij de kim.
Volharden! Dra zouden woorden dagen.

zondag 25 november 2018


vinger —
verlengde van verlangen —  
bemiddelaar, als een kaars, 
tussen neuronen en iconen —
nieuwsgierig
naar een vlammend verleden

mijn vinger — 
afdaling in het voorgeborchte
van onze toekomst — 
strekt zich uit naar het blauwe 
hinterland van jouw ogen —
daar begint onze dageraad  

vinger van een kind, omhoog
uit de schoot van zijn moeder — 
toont me de kronkelende weg 
van een onzichtbare hand — 
puzzel van lente in wording —
terwijl het bos nog winterslaapt

onze verstrengelde vingers —
zegenglimlach van lichamen,
woest en ruig — nu betast
door meeluisterende mist —
wandeling naar de winterverte
met haar sleutels van hoop

zaterdag 17 november 2018



Er bestaan twintig woorden 
om de superieure stilte te versmaden, 
maar vinden zal ik ze niet
zo lang een zin zich moeien komt
die wanorde wil verdrijven.

Soms komt een hint: in de revolte
van een wenkbrauw, de opstand 
in een zucht, het stille pleidooi
van lippen die bij elkaar te rade gaan.
Dan lijkt iets anders dan taal op komst

die scoort tegen het verwaande zwijgen   
van de vechtersbazen in mijn lichaam.
In dit bestaan valt niet samen te zweren
tegen de natuurramp van grillig lijden.
Ieder krijgt zijn deel, ieder valt uit de boot

van stilte die altijd maar doet 
alsof ze het laatste woord 
verdient.

zaterdag 10 november 2018


Zoals iemand die in het reine wil komen met een blinde vlek, gevangen in de dwalingen van zijn ontembare geest, blikt hij terug op de dagen van het geluk dat hem is overkomen, door een mist van tranen, op de stoep van een verlaten wandelstraat.

Hij zit in de verkeerde club van vrienden, zegt hij, hun aandacht is verdampt, ze stappen langzaam op, nu de gouden fontein van zijn relatie geen druppel meer geeft: het leven is weggespat, de plas verdroogd en de oude grapjes verbrokkelen als sierlijk stuc.

Maar ik wil bij hem blijven, in sfeerbeelden van een vergane wereld, Brabo wacht al om de hoek en op de markt, daar kun je wrokgevoelens wegspoelen zoveel je maar wil. Ach, zucht hij, was het maar zo eenvoudig, er zijn ook nog de achtergebleven kinderen. Kijk:

ze stoeien voor onze ogen, joelend en gierend, tussen de zeemonsters en zeemeerminnen, glibberig en gehaaid, terwijl vreemde jochies op hun schouders klimmen. Mensen zijn roofzuchtig. Hij heeft zijn hand overspeeld en moet de tol betalen, lees ik in zijn stilte, de houw van een reusachtig zwaard. 

Er is een toekomst die raad weet, verzeker ik hem, een schoon verdiep om te hertrouwen. Ik wil je getuige zijn, je bent een ware vriend. De kinderen volgen wel, het ijsje wenkt al in de Oude Koornmarkt. 

En daar zit je dan, 
een uurtje later, 
troost aan jezelf te verkopen 
voor een ongeluk 
aan de andere kant van de tafel.

zaterdag 27 oktober 2018


RADIOTHERAPIE

Van intimiteit naar anonimiteit. 
Van warme glimlach naar kille instructie.
Ziek zijn is gehoorzamen.
Ik ben een eenzaam voornaamwoord geworden.

Pulsar zwijgt. Zijn stilte brandt diep.
Slagschaduw van tijd, traag wentelend.
Schimmen springen uit het geheugen,
walsen rond mijn naakte lijf,

ontmoeten andere schimmen
die doen alsof ze vandaag geboren zijn,
in de schoot van een angst. 

Daar is de wereld weer. Met open ogen.
ik mag me weer aankleden, wens iedereen
de verkwikkende afleiding van het weekend.

zaterdag 13 oktober 2018


de wachtzaal is half leeg 
en uit de lege helft is zopas 
een vrouw vertrokken
die me haar leven heeft verteld.

duizend kleine gebaren:
ze sprak tegen me
alsof ze stond te oefenen
voor een lege klas, 
ik luisterde naar haar 
alsof het al speeltijd was 
in mijn hoofd.

slechts de bel ontbrak,
mijn naam over de intercom,
geneuzeld door een verpleger
die wil dat ik verander
in plaats van te blijven
wie ik ben.

was ik gekomen
om fouten te verbeteren
of te bedekken? in geen geval 
om iemand iets kwalijk te nemen,
op een vrijdag om half vijf,

zelfs mijn lichaam niet,
zei het stemmetje diep in mezelf
dat nooit meer veranderen zal,
ook al is er nu een ziekte
die het zo graag regisseren wil.