zondag 11 januari 2009

Kwijt

Ik had wat zilte verzen voor je klaar.

Over kilometers stevig op de trappers

van een groot project. Ik zag me

helemaal alleen

                         op het strand, de zee-

lucht deed me goed en Oostende

was een magische melodie in de verte

die ik gauw in troostend volrijm

vangen moet. Dat soort verzen

had ik voor je klaar.


Er liep een hond naar de golven.

Iemand had een stok gegooid -- 

waarom ik steeds dezelfde dingen 

terughaal begrijp ik nooit.

Plannen geknakt door het leven.

Even verschijnen ze in een schrijfbunker

met uitzicht op mijn kindertijd,

dan weer verdwijnen ze in de ebbe

van slecht verteerde herinnering,

ruisende geheimen in een schelp.

Ik help ze naar de eeuwigheid.

Daar loopt die hond al door de golven.


Vanmorgen nog galmden de verzen

door mijn hoofd. Zenuwachtige lachjes

en een leugen zonder licht.

Nu zie ik de ernst op je gezicht,

de paarse lippen van jaren schrappen

en hopen dat iets overblijft.


Maar nu

ben ik de verzen kwijt.

Hun houding van onfeilbaarheid

zat me dwars. 

Het feestgedruis

van hun smaakvolle overdaad.

Ik had ze moeten berispen,

die pretentieuze vlegels

zonder toekomst in een bundel.

Nu ben ik alleen

met de moordenaar van mijn twijfel.

Hoe houd ik hem gedeisd?

Ik ga te rade bij Kavafis

die schreef waarover je zwijgt

en alleen de stilte overhield

om keurig bij te vijlen.


Het pistool is niet geladen.

De woorden zullen inslaan

als kogels zonder bloed.

Ik zal ontsnappen

terwijl de gaten achterblijven.

Als herinneringen

na mijn dood.

In jouw hoofd.


Als droedels,

onuitgegeven.