dinsdag 7 april 2009

Extra time

Eerst een kale boom in de winter
waarmee ik kout om te horen
of de heesheid op zijn terugweg is.
Dan, onder besneeuwde ruiten-
wissers, de verblindende kristallen
van tijdsbetovering, het offensief
van dwaze lente in mijn hoofd.
Een monnik die wijn verbouwt
in de Middeleeuwen van Borgloon,
visioen in de achteruitkijkspiegel
van bewasemde fantasie.
Gek hoe het heden me soms verlaat
als een snelweg op de uitrit
naar de velden. Gek hoe alles dan
achter me ligt: de opdringerige klopjacht
van zorgen en hun levensgevaarlijke
inhaalmaneuvers. Wijn is moordend
wanneer ik door de tijden rijd.
Maar ik zou niet langer
terugblikken naar de bevroren kersenbloesem
in mei. Op acht tv-schermen -- ze waren er
niet toen ik jong was -- herkent de ober
van Extra Time zijn vriendjes als renners
tussen de boomgaarden. Omdat de finish
nabij is, betaal ik mijn lege glas. Het valt
in stukken op de pas gedweilde vloer.
Maar van mij heeft hij nog nooit gehoord.
Waar ik vandaan kom? Hij raapt een vraag op
tussen de scherven. Kom nou, dat hoort hij toch,
van mijn kindertijd in zijn bibberende fruitstreek,
vanmorgen achter koude nevels verdwenen,
net zoals de oude vaten van herinnering.
Duizend roze dromen in geurige bloei
en een zusje met wie ik me vandaag bemoei.
Ze ligt naast moeder, op de heuvel
waar de dood druk ploegt
en mijn geheugen zwoegt
tussen beelden die me belagen,
winterwind met bladeren
en bulderende onzin.
Lachjes om bijna niets.

De meeste mensen lezen niet
in Extra Time, en dat is geen drama
zolang de ochtend raad weet
met mijn niet-begrepen zijn.
Het heeft vast in de krant gestaan.
Dat het altijd nog een beetje lente kan worden,
ook als ik dertig rijd in de koude mist
van de nawerkende nacht.