donderdag 9 april 2009

Op weg naar Caravaggio (werktitel; fragment nr 2)

Deze ridder uit Bergamo heet Caravaggio.

Hij wil geen dronkaard zijn in de nacht,

die vastloopt in zichzelf.


Geen letterfestijn, Ridder, zonder witruimte,

met woorden die elkaars gezelschap zoeken,

omdat ze kou lijden.


Deze dichter staat als een dronkaard

bij een bronzen paard van verlangen.

Steigerende tijd in een loverzee van jaren.


Straks zeilt hij naar Malta,

om zijn zwaard te schenken

aan de zieltogende heerser in zijn hart.

Zilverlicht, getornd door een gebroken Christus.


Schilder je doek, dichter,

met een godvergeten gevangenis

op de achtergrond.

Witruimte

waaruit geen ontsnappen mogelijk is.


Malta: unieke blend van Arabische architectuur,

Italiaans vuur en Engelse tuinarchitectuur.

Nog slapend in zijn schoudertas,

met hels klokkengelui van andere tijden.


De maan lost haar teugels

onder een gom van verse twijfel.


Groeiende witruimte...


streng en sober als de Orde zelf.

Verspilde uren

tussen honingkleurige muren.


De Middellandse Zee regisseert kalm

haar ebbe en vloed van eeuwen.


Pronkstuk van leegte:

de kathedraal van La Valletta.

Om haar te vinden, gehuld in ochtendsepia

dat je alleen in de Middeleeuwen vindt,

moet je je een beetje bukken.

Ze is ommuurd door stilte,

residu van andere gedichten.

Heiligen vechten er om een plekje.


Ja, ik ben die ridder. Eenzaam kind

in de drukte die zelf verloren loopt

onder een hemels gewelf,

onweerstaanbaar bekoren

waarin de kathedraal onderweg is

naar haar fiere status van ruïne.