zondag 28 juni 2009

Als dichter moet ik veinzen

Dat glazen breken of bruggen instorten

moet ik veinzen terwijl ik zing,

het is mijn werk als dichter.


Veinzen, terwijl de rede sneuvelt

zonder een laatste wens te formuleren,

dat ik gevoeld heb wat woord geworden is,

in muziek.


Zingen dat ik woorden nodig heb

omdat de noten ontbreken, geen partituren

die boogschieten als een schutter

reeds aanwezig in het uitgekozen marmerblok.


Zingen dat een handjevol verzen volstaat

terwijl de zinnen voor het rapen liggen.

Pijlen die hun doel hebben gemist.


Als dichter moet ik veinzen,

met gietvorm en schietlood, kompas

en meetlat keurig binnen handbereik,

dat verzen niet korter kunnen

zonder verkeerd te worden geduid,

ook al valt er minder te begrijpen

dan ik in de kortste verzen zeggen kan.


De stilte, daarmee even uitgesteld,

zit me op de hielen. Tot, achter het laatste woord,

een blanco samenvalt met mijn herinnering

aan haar moordend gehinnik: een paard ben ik

zonder hoeven, een leegte die tenen

met zwemvliezen veinst.


Als dichter moet ik zwijgen, en weten

waarom daar taal voor nodig is.


Vergeet de verzen die gaan volgen.

Ik moet de uren die ik niet alleen kan slijten

opschorten naar nog ongedrukte agenda's.

Ik moet ze dichtlaten, zonder afspraken,

als een telefoon die niet meer rinkelt

bij binnenkomende privénummers.

Ik veins dat ik niet thuis ben, het zou ook best

een ander kunnen zijn die zich kwaad maakt

aan de telefoon.


Ik moet de eenzaamheid een plaats geven,

gevoel uit een andere eeuw, ongelezen boek

in het rek met precieuze uitgaven.


Ik steel de muffe atmosfeer van oude zalen

waar de uren wachten. Ik stop ze in een flacon

dat ik open wanneer mijn Tijd

in Eeuwigheid wil vergassen.


Als dichter moet ik veinzen, het is mijn werk,

dat tijd tot wijsheid leidt, en wijsheid

een masker is van de dood.