vrijdag 10 juli 2009

Als dichter moet ik veinzen (fragment)

Ooit, op een stormende avond,
op de laatste dag van het jaar,
heb ik geschreven:
geen volle manen meer,
en ik kon ze niet langer zien,
dof of verstikt, ik ontwaarde een dovend licht
in mijn droom van vergetelheid.

Het was alsof ik een laan herkende
met beuken, verstijfd in hun onverschilligheid,
die aan zichzelf genoeg hebben en mij negeren
wanneer ik hen, op zoek naar een laatste raadsel,
van fluisterend geritsel beticht.

Ik had er gewoond, tien jaar lang,
het leek alsof ik al die tijd niemand ontmoet had
om te vragen of ik mezelf buitenspel heb gezet
in een wereld die ik niet kende.

Aan het eind van een hoofdstuk langdradigheid
verstommen dagen tot een misverstand.
Elke liefde is versluierd, de annalen zullen zwijgen,
en het licht komt uit een diepe leegte
ginds tussen de beuken die ik amper kan binnendringen
nu er niemand is wanneer mijn hart hun onweer zingt.
Woorden zijn op stilte uit,
maar beseffen het niet altijd.

Ik keek op mijn horloge. Het was tien over weet ik veel,
het bliksemde en de verlichting stond al ter discussie.
Ik hoorde geen feestgedruis,
middernacht was ver en onwaarschijnlijk saai,
ik liep de herkenning van mijn laan te vrezen
en het werd killer toen ik later schreef:
als dichter moet ik veinzen.