vrijdag 6 november 2009

Raadsel van roet

Mijn slecht herkende liefde waarvoor ik zwijgen moet 

is een weggesprongen genster met meereizende nacht,

zet het dak van mijn schedelherberg in lichterlaaie.


God is niet meer, opgegaan in rook, raadsel van roet

in verzen die al fresco glimmen. Zijn pen ademt, zacht.

Onirische woorden verward met slapende poezen. Ze logen

terwijl we samen hoopten dat de roes zou liggen gaan 

en ik nu, op een dijk met gras, tegen een kater tater.


Dood kan een huis vullen, een herinnering aan later,

het sterrengefonkel ontsteken op een leven hier vandaan.

Ik haal geheimen in en leg een hand op hun bange ogen.