vrijdag 31 december 2010

Sneeuw, stoep en strand

Begint een deftige burger zijn sneeuw te ruimen,

gewoon omdat het rebels is, met de multihark

kinderjaren aan zee op de schop nemend,

volgt een tweede buur, bang dat-ie niet anders kan

dan braaf te zijn met laarzen en emmertje,

daar moederziel alleen met papa in de golven

van late namiddag-verlatingsangst, de zon

nu dalend goud onder de groeiende kou,

en ook een rechterbuur, bezocht door naijver

van het puberale soort dat heel de stoep

weer glimmend glad maakt, tot straks de straat

op veelkleurige kaas lijkt, met gapende gaten

van herinnering aan zacht gestold lijden,

de zee een krassende plaat onder de naald

van god, en steeds dezelfde maat van verveling

die zich eindeloos herhaalt. Niet opgeven,

denkt dan een linkerbuur: hoe kan hij anders

nu de stoute verzoekjes komen om niet als enige

achter te blijven -- een krimpende sneeuwman

die niet smelten mag voor ik, taal ruimend,

mijn pen heb neergelegd, ijzingwekkende stilte

tolererend die de straat weer snel doet faden

terwijl de vlokjes terugkeren, in nieuwe buien

van ongenaakbare eigenzinnigheid.


vrijdag 24 december 2010

Witte kerst

Er is een smetteloze stilte

die op een sneeuwloze hemel wacht,

maar ik kan haar niet vinden.

Ergens zoekt een jongen zijn meisje

in de ondergesneeuwde auto's

van een nare droom.

Ontelbare sterren, zijn er ook,

die ik naliet te verheerlijken,

in de kou van een kerstroos

voor het raam.


Weinig betovering van verlangen.

Omdat het jaar een terugblik eist:

de atoompolitiek van Ahmedinejad,

keurig voorgemonteerd, terwijl ik

al maanden op een mailtje wacht

uit Teheran. Het internet is dood:

er zijn ontelbare files van ideeën

zonder strooizout, die me doen kijken

naar de shows van Lucille Ball.


Misschien heeft moeder in het hiernamaals

geen tijd om te dromen van mijn witte kerst.

Maar ik, ik vind de tijd voor een gedicht.

En daar is haar gezicht. Smetteloos,

als stilte voorbij de sneeuw.

woensdag 22 december 2010

Daar waar het laatste thema

Leven. De laagjes van een ui pellen.

Zure tranen huilen en de dader zoeken.

Iets aanpakken en dat poëzie noemen.

Daar waar het laatste thema bloedt.


De dood van een vader versnipperen.

En je voelen als de plagende narrenwolk

die het zonnige blauw een lesje gaat leren

omdat-ie dam wil spelen, dam voor vreugde

in een winter die over heropstanding speecht.


Het was maar een voorspel, virtuoos stil:

niet alleen tijd is een snelstromende rivier.

Ook deze glimmende woorden, blinde bijen

die in een maagdelijke toekomst stromen,

willen niet terug naar hun drassige dromen.


Zoals in de fuga: het regent sneeuw, nu.

En sneeuwt een uurtje van het zwarte soort.

De wereld ruimt weg, ritmisch, tot een oever

kleiner wordt, onzichtbaar ver verwijderd.


Aarden dam spelen. De loop herzien

van al dat reine water. Per kerende post

één onbeantwoorde vraag stellen

over de grenspalen van mijn jeugd --

daar waar het laatste thema bloeit.

donderdag 16 december 2010

Schrijfster is aangekomen

Vertrouwde geur van hooghartige natuur
komt binnen. Geen flashlicht
zo ver ik kan zien. Verlangen slechts
dat in bont is blijven kleven.
En schaduwen van trage dans
om Liefde mee te piloteren.
Schimmen van uitgedoofd verzet
volgen vrouw in topfunctie.
Ze is een schrijfster, zegt iemand,
alsof ze genoteerd staat op de beurs.
Signeert met de gestolen flauwekul
van een trendy vulpen, lichtgewicht
voor vloeiende inhoud. Elk punt een vlek
die maar niet komen wil.

Een klok sluit de thriller van de schemering.
Daar groeit de klank die nacht heet.
Waarmee ik het moet doen. Met haar,
en nu. Mijn hart bekoelt in de rode gloed
van ondergang waarop ik geabonneerd ben.
Haar krassend gefluister in mijn woud
van neuronen. Ze willen vonken,
als een mobieltje in het wassende donker
dat je in de Amazone leert kennen.
Alleen.

zaterdag 11 december 2010

Dof gedreun

In een trein met taterende oude vrouwen

is het ontspannend jezelf te zijn

in het meeluisteren naar de rampen

die je tot hiertoe bespaard zijn gebleven,


maar wanneer er dan plots,

midden in het moeiteloos ontspringen der dans,

elkaar in superlatieven overklassende pubers opstappen

die een zweempje te leutig hun facebook avonturen

als een enemy request op je afvuren, terwijl de dames

verstild in je richting gluren om snel even uit te zoeken

of je al aan fataal defrienden begint te denken,


dan weet je weer dat heel de identiteit in je hoofd

een dof gedreun is voor de ipod van een bewustzijn

dat anderen stoort. Als had je het van hen geroofd.


Val nooit door de mand met een ponjaardblik,

accepteer het noodlot en kijk door het raam,

wat er ook gebeurt. Tot je oude ego is uitgedoofd.

woensdag 8 december 2010

Zonder titel

kleine gebaren,

ingebakken in de kunst van het 'doen alsof'

die op je schoot ligt, als een kantwerk

zonder toeristen


je zwijgt, je weet dat iemand van ons

de liefde de laan gaat uitsturen

en vouwt je briefje tot een zwaan


dan hoor ik het getrappel van een koets

met paarden die blazen in de mist

en ruik ik de geur van een geheim:


voor weelderige verwondering

moet ik met een geruisloze boot

voorbij de weelderige achtertuin glijden

van je dode stad


het duister van Brugge klinkt vals,

ik duw een frele kerkklok weg

tussen de foutparkeerders om de hoek

en lees mijn schuldig verzuim in je auto

vrijdag 3 december 2010

Bij de ingang van Eleftheroudakis

Ik schrijf onleesbare liefdesgraffiti

op de façade van je onverschilligheid

en vraag je hoe je toevallig heet,

in de hoop dat een helder wonder

uit de spuigaten zal sijpelen

van je dobberende denksyntaxis.


Hier bij de ingang van Eleftheroudakis

lijkt het alsof je het niet meer weet,

en het raadsel van de zee aangaapt

dat ik met zachte dwang en verleiding

in je uitzichtloos bestaan binnensmokkel.

De toeterende auto's kennen die file.


'Dit is mijn Athene' zegt je krakende stilte,

en je bijt met je ogen toe in de zure appel

van een torenhoge staatsschuld.

Ik zie niet in hoe de rotte plekken

me kunnen prikkelen, Apollo,

maar ik probeer te minnen


wat vaag op poëzie wacht

in het sap van een tussendoortje

waarin ik mezelf ontmoet,

uitglijdend over dit sleepje gêne,

veel te gladde schijn van geluk

op het bordes van een noodlot.

zaterdag 27 november 2010

Namiddagje kuieren

Niets zo verkwikkend,

denk ik falend in bezieling,

als een namiddagje kuieren

tussen de ruïnes in mijn hart.


Door een agora loop ik,

met de tempel van Hephaistos

die ooit mijn lava van taal smeedde:

hij was een leraar Grieks, oersterk, aanbeden

als vlammende retoriek voor bulderend dichtwerk.


Ik zwerf door de bibliotheek van Hadrianus

die me zijn woelig leven leerde minnen:

hij was een vriend die me omarmde

terwijl ik las, belaagd door pralerige zinnen.


Maar liefst nog zoek ik vertroosting

bij de byzantijnse stèles van vergeten illusies,

vlak voor het hoogtepunt van hun kunnen.

Dat ze ooit, als een puzzel op de sprei,

mijn dromen voor een nacht wilden runnen!


Waarom zou ik stoppen bij Zeus' tempel?

Dit is geen eeuw voor oppergoden,

ze zijn afwezig of geven niet thuis

wanneer je tijd met hen wil doden.

dinsdag 23 november 2010

Niet kijken naar jezelf

Wolken, geheime ornamenten.
Zondaars in je leven.
Ze komen en gaan aan een koude hemel
die blauw is. Alleen voor jou.
Daar ginds, kristallen van waterige tijd.

Waarom vrienden van je vrienden
voorstellen aan wildvreemden,
niet wetend wie ze zijn?
Omdat ze in een kring staan
om de bleke zon van je twijfel.
Anonieme wolken.

Niet kijken naar je kite, zei oma,
dan word je blind. Haar weke poëzie
deed weinig terzake:
niet kijken naar jezelf, maar stralen
wanneer de woorden gaan stamelen.
Daar ginds, in je verleden.

vrijdag 19 november 2010

R.I.P. Lange Wapper (ingekorte versie van mijn eerder gedicht)

Rijden, rijden, rijden, door de dag, door de nacht,

door de dag, rijden, rijden, rijden, en de moed

is zo moe geworden, en het heimwee zo groot...

auto's, auto's, trucks - en truuks uit de oud doos

van een doortrapte strategenschurk, jij kwelgeest

die na middernacht mijn verkeerde nummer draait,

Wappertje voor het Steen die maalt om mijn koppig

NEEN

en groeit in deze woorden waarin ik mijn haven bemin,

daarboven in wolken waar ik achter de tijd zweef,

ingeslapen in autoluwe jaren en zondagen van stilte,


toen een middeleeuwtje zacht aan de deur klopte

van gesloten musea waar Rubens en Jordaens

tussen schaterende kleuren sliepen.

JA

Ik gun de vaandeldragers van taal een kans,

de taterende trompetten en bedeesde virginalen,

lonkend naar de feeërieke luister van Rederijkers,

stille getuigen - Bourgondisch wulps en sappig -

van een zeldzame zondag zonder ploertige auto's

en dodende trucks. Antwerpen, zo ver je kon zien!

JA, IK WIL

schrijven, schrijven, schrijven, ik pers de zon uit

tot het bloed van een onblusbaar verlangen

en mors mijn illusies tussen bruggen en sluizen.


Ik jaag mijn onrust over baanvakken van broze emotie

met woorden die mijn adem als koorden dichtsnoeren,

fijn stof dat me verstikken wil met het schuldbesef

dat ik zweeg toen ik moest praten, praten, praten

over de groter wordende gaten in de woede

waar mijn kwelgeest geniepig doorheen wou.

NEEN

Ik wil geen magere Hein van hybris, hardnekkig

als een oliespoor van laatkapitalistisch geilen,

ik wil schoonheid waarvan ik nooit genoeg zal krijgen,

om stil mee te stoeien in de kajuit van mijn verleden.


maandag 15 november 2010

Aarzeling

In een Grieks café stottert een soldaat naar me

als het kaarsje voor een oud icoon.

Ik knik, en ruik seizoenen van Byzantijnse tijd.

Zoet als de harmonieën van de lente

smaken zijn woorden, die als fonkelende ogen

in een andere wereld lanterfanten.


Dan sijpelt een aarzeling de zin binnen,

vindt de donkere ondertonen van zijn stem.

Alsof er nooit meer een overwinning valt te vieren.


Met twee handen harkt hij mijn restjes dessert bijeen.

Ik mag niet vragen welke vrienden de illegalen

voor de Turkse kust in zee hebben gegooid.

Zoveel verleden dat onaangeroerd is blijven liggen.


Ik drink wat thee, laat onzichtbare gasten achter ons

beslissen wie ik ben. En monster de leegte

die aan de voeten ligt van elke nieuwe liefde.

zaterdag 13 november 2010

Zonder titel

Apollo, ik weet wat je denkt, reddende god,

en begin opnieuw, als een Griekse stad

die Oosterse wishful thinking verlaat.

Littekens word ik gewaar op jouw arm,

diepblauwe ogen die mij monsteren in de tijd.


Vuiger dan mijn volwassen oor verdragen kan

zijn de combattieve klanken van mijn jeugd,

strijdlustige vechtersbazen die vanavond

dansen over het blad, alsof ze zoëven nog

in nieuwe inkt werden gedoopt.


Ik weet dat het slechts schijn is voor jou:

liefst staan ze in de kou, uitgekleed in hun rij,

onder de vernietigende blik van een dichter

die de indoctrinatie van oude ritmes vreest.

Gespierde geschiedenis, zie je, wil overleven


in zangerige verzen, niet als sjofele jongens

in afgedragen jeansbroek. Zij aan zij.

vrijdag 12 november 2010

Plato bij boekhandel Eleftheroudakis

Na zeven verdiepingen

die langzaam van kleur veranderen

sta ik eindelijk aan de rode zenit

van de Griekse beschaving.

Het is een hele wand Kavafis.

Bundels die neerkijken

op zijn ongemakkelijke eeuw,

zichtbaar vanop straat.

Achter me, de bedwelmende thijmgeur

van een Cycladisch eiland: het moet Elytis zijn.

Altijd, wanneer de zon te laat is opgebleven.

En ginds, die jongen met kniebroek en verwassen T-shirt:

als dat niet Nikos Gatsos is, bedremmeld in een hoek

en wachtend op mijn helpende hand.


Nu ga ik op de tippen van mijn tenen staan:

ik verlang naar een grote blauwe bundel die Plato heet,

alleen maar omdat hij een hekel had aan poëzie.

dinsdag 9 november 2010

Arme ster

Mijn bestaan -- een arme ster

van acetyleen. Meer niet.


En Athene kan niet zonder die opdringerige zon,

die de stad opjut en onrustig maakt.

Tot ze verdwijnt in de veilige afzondering

van een ipod.


Wat overgebleven is van mijn jeugd

kijkt me als licht recht in de ogen.

Ik knipoog, zoek de vier euro bijeen

waarop een nerveuze ober staat te wachten.


maandag 8 november 2010

Athene, 6 PM

Een nare herinnering wou doven.

Ze schoof voorbij, zonder dat ik erop inging

met analyse, vergelijking of schuldgevoel.

De rest van de dag

-- praten, proeven, storende hitte,

wereld omarmen, lawaai

en andere afleiding --

vertoefde ik in een fase van ontkenning.


Nu is het avond, en besef ik dat er niets gedoofd is

op het schaduwterras van een gedateerd kafeneion.

Zorgen en problemen snellen elkaar ter hulp.

Alsof ze lagen te wachten

op wederzijds begrip.


Een post-Olympics metrostel schuift

door rauwe realiteit, in krotten hokkend.

Ik had liever een oude Namco zien botsen.

zaterdag 6 november 2010

Woorden en de dichter

Woorden moeten altijd uitkijken,

een minder fraaie binnenzijde maskeren,

zoals elk stadsbestuur een vierde wereld.


Ja, uitkijken

naar een te laat vertrokken bus.

Twee koplampen in de verte

terwijl ze, bij sterke wind, met bulderende

bomen van voor hun geboorte

een tafereel regisseren van schamele pogingen

vol toegedekte leugens en ondergespoten marmer.


Elk vers dat mijn pad doorkruist -

het meest onverschillige, het meest opdringerige -

vraagt iemand op te stappen die wil blijven,

leven tijdens het wachten in zijn plaats.


Woorden moeten altijd uitkijken.

Ze kunnen nooit de onderwereld uitsluiten

die zich afzijdig houdt.




Soms neem ik vakantie

en blijven de woorden thuis.

Ik weet dat ze zich amuseren

en ben geen dichter meer

in dat besef.

donderdag 4 november 2010

Voor 'Antzela' (vervolg)

Mijn Hellas, badend in een bemoeiziek zelfbeeld,

is haar speeltuin vol graffiti. Gerekou jatte de luxe

onzichtbaar te worden in een waas van cultuur

waarmee ze deed wat ze wou. Nu drapeert ze zich

met de weelde van een vrijheid die samenvalt

met het verleden van opstandige goden, geketend

aan een muur die decennia lang standhield.


Slechts erosie van beloften,

en wat ik daarmee aanvang

met verf en spuitbus van taal,

troublerende herinneringen

aan een geplunderd leven.


De stellingen rond het Parthenon begeven,

reuzen sprinten weg, zoveel versteende junkies,

bang voor de onpeilbare diepte van ziekten,

fonkelend zwart voor vurige ogen van tijd,

struikelen in de slootkant van verspeelde kansen,

nooit meer overeind komen op een museumsokkel.


Toch is Gerekou een boogscheut slechts verwijderd

van die horror. En daarom blijft ze glimlachen

naar de camera's die op uitnodiging komen,

zonder haar oude eenzaamheid een blik te gunnen.

vrijdag 29 oktober 2010

Voor 'Antzela' (Angela Gerekou)

Als een beursindex in vrije val de wereld rondgaan,

ongemerkt je belastingen vergeten te betalen

(meer dan een miljoen argeloze kippen)

en bij je terugkeer, aan de voet van de Akropolis,

bekogeld worden met tomaten en rotte eieren.


Na de douche zwerven door de binnenstad,

als een vuilniswagen die op de zenuwen werkt,

dan beslissen om je dan dag en nacht te omringen

door jonge militairen. Toezien hoe ze zich vervelen,

meewarig naar de junkies starend.

De sjofele, gerafelde matras op een bordes

die ooit een comfortabel bed is geweest.


Toch een luxe, zegt de minister over haar cultuur

vandaag op het Plein van de glimmende Eendracht.

Ze zal niet langer de daklozen beschermen,

gewoon wat beter haar bange zelf.

Wat zou ik graag een graantje meepikken

van de kennis in haar verkilde nest.

Athene, 6AM (vervolg)

Een tableau van lichtjes geëxciteerde bodytalk

op de pronkzieke trap van het archeologisch museum:

hoe het verleden van Athene me wantrouwig bekijkt

met gefronste wenkbrauwen, gedraaide handpalm

en gespreide vingers op de knieën - kapotte onrust

wanneer ik in de gaten krijg dat mijn gevallen goden

tussen hun opgerolde matrassen en hellehonden

een volgende shot voorbereiden. HERE TO STAY,

in lompe letters, op een dag die net begonnen is:

nieuwe graffiti op mijn beledigde mythologieën.

Signalen uit een nog veel taaier schimmenrijk.


Straks veren de dropouts van de Olympos recht,

dakloos als een laatste restje zelfhaat in de morgen,

liggende efebes tussen hun marmeren dubbelgangers

met bijgewerkte borsten en braaksels van knalrode verf

rond het marmeren geslacht van eeuwen, om gluurders

hier op aarde met een mokerslag tot moes te slaan.

Hebben ze het eerder al gedaan? Stapje voor stapje

trotseer ik mijn verraderlijke klim naar Zeus,

die naliet de rust te verstoren. Merkte hij dan niet

dat ik sloom op de naalden trapte van een armeluis?

Er is een reden waarom ik in mijn onmacht ben geboren.


zaterdag 23 oktober 2010

Voor bus 26 (gedicht geschreven om afscheid te nemen van de buslijn die het op 31 oktober om 23.10u voor bekeken houdt.).


(Ik hoop dit gedicht op de allerlaatste busrit zélf te kunnen lezen voor de allerlaatste reizigers van bus 26).





Kusje, busje -

jij, koning van een laatavondshow

die ik zelden heb gemist,

anchor met de troostende toon

van een succesvol script vol rock-'n-roll

en zacht gebrom, een feest van nachtwind

en glijdende bomen met wapperende krant

en taterende leegte. Om late tranen nu te drogen.

O wat hield ik van mijn wiebelende dromen

die over Elsschot en Van Rijswijck vlogen.

Wuivende huizen, blind en doof, ze kenden me

en zongen yeah yeah yeah, als stille paarden

die op tieners lijken wanneer ze slapen gaan.

O wat keken ze stoned naar nummer zesentwintig,

de molen, het Edenpleintje en de lei van Jan de Vos

waar nog jaren overleefden waarin jij geboren werd.


Zesentwintig kusjes, busje, die halve eeuw is nu voorbij,

en ik neem afscheid van jou, hulpeloos zoals ik ben,

alleen met een zwijgende haven, die de biezen neemt

door wijken die ik nog niet ken. Ik sluit me in je armen,

souvenir van plenzende regen, drenzende telefoons,

gladde wegen met glimmende weggooi-tijdschriften

en ploeterend ijsberen in de wanhoop van mijn hoofd

waar het soms winterde, terwijl jij nog door-zomerde...


tot je dan eindelijk kwam. Magistraal. Zoals een vrouw.

Na crescendo's van eindeloos uitstel.


Laatste kusje, busje, 't is voorbij, ons avontuur

van samen flaneren door de haven.

Ons tollen door de straten die we citeerden

als dronken vrienden hun liefjes.

Ons frivool flirten met heus niets en altijd iets

dat Antwerpen met neon bedwelmde

terwijl we samen onderweg waren

naar de halte bij mijn bed, daar waar ik belde


bij jouw schalks piepende banden.