woensdag 10 maart 2010

Gentse begrafenis met flashback

Na het sterfhuis is de begrafenis een anti-climax

van handen schudden en stuc dat door het schurken

uit de muur valt, zoals ik een paar keer uit mijn rol.


Te vroeg gewekte herinnering wordt weggekucht

en de handen blijven maar schudden, terwijl buiten

de bomen hun leven lang bidden om water en wind.


Ik ben met mijn gedachten elders, bij een hete vlam

ooit in de crypte van de Sint-Baafs, er ontstaat stilte

terwijl ik aarzel om een hand terug te geven


en vaststel dat het die van jou is, met langzaam

klimmende blik naar de gloeiende hitte van ogen

waarin verleden danst, terwijl ik een friet liet vallen


in een straatje aan de Overpoort. Stap voor stap

ging je door je gebruiksaanwijzing van Gent, kroegen

waar op dat moment borsten, haren en benen


de dag wijdden aan je liefdesketterij, Gents accent,

en ik me, met een vloek van beleefde bewondering,

thuis probeerde te voelen in een verkeerde wijk,


die nu plots terugkeert, met jou erbij, en verdriet

aangeboord in het oord van verderf waar ik brand

wanneer je me dankt voor mijn komst. Ja, ik ben klaar-


licht verlangen, maar vrees dat een truck met oplegger

over me heen gaat rollen, als het heelal zich herhaalt

omdat God strofen van verdriet wat beter wil spreiden.


Wat weten de bomen over afkalvend geloof,

de handen die ritselen in een rij van zacht geprevel,

een liefde die niet doven wil. Ik ben bij jou, en zoen je


terwijl iedereen het ziet. Een dode vriend is mooi

wanneer hij voortleeft in de diepte van blije ogen

en Gent zich hitsig voelt tussen lachende tranen.