donderdag 20 mei 2010

Geen volle manen meer

geen volle manen meer

maar een dovend licht
van warme woorden,
een snijdende sonate

ik heb mijn handen in de aanslag
met tintelende verwachting

geen straat die steeds dezelfde is
wanneer ik nog eens terugkeer,
maar een vreemde
die in de regen staat te plassen
op mijn kaart van de wereld --
duizenden naalden maken putjes
in deze schedel

een valk ben ik, met lichtgevende ogen,
zwevend boven draaiende wouden
van tijd
muziek van chaos in naakte kruinen

steeds dezelfde toetsen blijven hangen
in mijn ordelijk leven. Ik ga het vellen
met de akkoorden die ik streel.

ooit / / op een stormende avond / / op de laatste dag van het jaar / / geen volle manen meer schrijven / / en ze niet langer kunnen zien / / een dovend licht ontwaren / / in de oude laan die je herkent / / de eindeloze laan van beuken / / die aan zichzelf genoeg hebben / / vanavond, een jaar geleden, twee en drie en dertig jaar geleden / / op elke laatste dag van een nieuw oud jaar / / eindeloze jaren / / vol fluisterend geritsel / / daar gewoond hebben / / in een laan waar je niemand meer ontmoet / / aan het einde van een hoofdstuk langdradigheid / / dagen zien verstommen tot een misverstand / / de annalen zullen zwijgen / / ze zingen met woorden die uit zijn op stilte / / zingen in het naderend onweer / / het bliksemt / / de verlichting staat al ter discussie / / alle feestgedruis verstomd / / geen oud en nieuw / / geen feestgedruis / / geen volle manen meer / / slechts een eindeloze rij beuken / / / / / / / / / / / / / / / / / / / / / / en het gebeier van roestende klokken / / daar ergens tussen de bliksem / / als dichter moet je zwijgen / /

stuif weg, verblindende sneeuw op stijlvol vervlochten depressies.
verdwijn, hobbelende ritmes achtergebleven in sporen van karren en paarden met gouden hoeven
verzen zijn gevaarlijke boeven, verraderlijk hard, als bijtende stilte die lang is blijven duren
verzen, kaal als een doordeweekse dag waarover je wil zwijgen.
een dag, repetitief en persisterend, een opgebroken weg van verveling met putten van verbazing.

als dichter moet je…

…zwijgen.

tussen seconden die maar blijven komen
en de mooie stilstand van een oude klok
verstopt onmenselijkheid haar knapste truucs,
krullen verledens als een kindertekening
op de muur van een verlaten schooltje
en veinst Dood de eigenaar van hersenen
die al lang vertrokken is. een spel, maar toch.

ik prevel mijn wrevel bij het verstrijken van tijd,
als een oude vrouw haar gebed. de koude
valt binnen. ik heet haar welkom
als in een kathedraal, ze glijdt
met de streling van een zijden sjaal om mijn hals.
eeuwigheid verlangt een duwtje slechts
om fataal uit de bocht te gaan.

dat glazen breken of bruggen instorten
moet ik veinzen terwijl ik zing,
het is mijn werk als dichter.

veinzen, terwijl de rede sneuvelt
zonder een laatste wens te formuleren.

zingen dat ik woorden nodig heb
omdat de noten ontbreken

zingen dat een handjevol verzen volstaat.

als dichter moet ik veinzen,
met gietvorm en schietlood, kompas
en meetlat keurig binnen handbereik.
er valt minder te begrijpen
dan ik in de kortste verzen zeggen kan.

een stilte zit ons op de hielen

een blanco
die samenvalt met moordend gehinnik
een leegte
met zwemvliezen

zwijgen
en ontdekken waar taal toe dient

agenda’s dichtlaten, zonder afspraken
luisteren naar het leven
als naar een telefoon die niet meer rinkelt
bij binnenkomende privénummers

de eenzaamheid een plaats geven,
gevoel uit een andere eeuw, ongelezen boek
in het rek met precieuze uitgaven.

weg het ouderwets flacon.
tijd laten vergassen
in eeuwigheid.

als dichter moet ik veinzen, het is mijn werk,
dat tijd tot wijsheid leidt, en wijsheid
een masker is van de dood.