donderdag 13 mei 2010

Litanie

Oostende, koningin in het bedenkelijke rijk der badsteden,

zelfgezocht isolement in de Tijd, roestende herinnering

aan het schrikbewind van Leegte en opspringende pladijzen,

dienares van bekaf kind zijn in Venetiaanse gaanderijen

met galm en schaduw, wandelingen in de hel van het geheugen

waar bonte vliegers verbranden in de - - - - - - - - - - - - - zon

en de - - - - - - - - - - - - - zon een walsje op mijn netvlies danst,

kom hier en laat me je savoureren, Stad, als de vis met puree

van meegenomen zorgen die bij me willen zijn, wat je ook

serveren gaat, namiddagen in de regen, sidderende avond

als een tamboerijn met fonkelende sterrenbelletjes

om mijn vreugde uit te bazuinen,


hier ben ik weer, Lief van oude vermaningen en geheimen,

aanvaard me - hachelijke zaak - met al mijn drogredenen

om bij jou te zijn, omhels een identiteit die me goed uitkomt,

vanmiddag in de straten die jouw zwaaiende armen zijn

en zeg me dat ik welkom ben op de rand van jouw verval

tussen de gapende gezichten van de Kapellestraat,

roerige herinnering van babbelutten die ik niet lustte

en die toch uitzonderlijk waren, massa ontdooiende klei

die zichzelf met kinderwagens voortduwt, Oostendse wensen

die thuis op een nachttafeltje zijn blijven liggen. Hier zijn ze,

stotend in de diepte van de Tijd

waar de trein wacht, nog even, op perron 5.