dinsdag 29 juni 2010

Jij, Afrika

Tam-tam: jij, Afrika, bent mijn geklopte room.

Jouw fijnste regen ruikt als zurige hoop.


Jij bent mijn dubbelzicht van zwarte handen

en witte tanden met paarse sterren: zieke ogen

in hun verlegen koers van navel naar voorhoofd.


Afrika, jij bent mijn herfst van uitgebloeid verlangen

dat over een muur van zwijgen kruipt. Een spin

in de brousse van mijn bed. Tarantella met plassen taal.


Jouw rode ogen gedogen mij, vochtig als pas gespoten

graffiti op een verleden dat gesloten blijft. Jouw dikke lippen

zwijgen over een geluk dat zacht kantelt in de nacht.


Tam-tam: jij, Afrika, bent de kolonie die ik heb ingepalmd

en voor mijn liefde kan geen vers zich schamen.

maandag 28 juni 2010

Afscheid van Gran Canaria (gepubl. in 'Het Liegend Konijn')

niets gebeurt, maar alles is er
recht voor mijn ogen, in heden en verleden
nu mijn gedachten wolken zijn
en wolken opgeschoten hangjongeren
die niemand begrijpt

niets gebeurt, maar alles is er opnieuw:
vanmorgen nog leerde de zon haar schaduwen
zweefvliegen
en de palmbomen dansen hun can-can
in de wind, hoog op de doorrookte bergen --
huizen worden er gestapeld
als de verlaten zwaluwnesten van mijn hart

nieuwsgierigheid, die schoffie,
beledigt de leegte
met de veel te grote letters van de Daily Mail
waar ik eigen drama's herlees
parfum van hyperbolen
roddels die uitlopen als schmink in de regen
vlak voor ik de tunnels induik
met hun oranje spoken van licht
ze springen haasje-over op de schouders
van twee Engelse dragqueens
tanende sterren
George Michaels zonder coming-out

windmolens wuiven hun afscheid --
peuters die aarzelen tussen geeuw en schreeuw?
alleen de chauffeur, caballero die mij een chico noemt,
maakt het mooie weer vandaag:
hij gebruikt zijn geldlade als tam-tam
wanneer ik hem bijna vergeet te groeten

met een knipoogje

bij het verlaten van mijn zelfgezochte verveling

dinsdag 22 juni 2010

Er staat een wonder

Er staat een wonder bij het voeteinde van de slaap.

Een styliet in weer en wind, een held op sandalen

die Jezus heeft bemind. Ik lees een gebed voor hem,

honds en laaghartig, zoals ik lege blikken bijeenraap.


Ginds in fonkelogen, tovergebaren en lome lichaamstaal

zijn ze niet meer welkom: daarom heb ik mijn wensen

ingekluisterd in een droom. Ik roof er paddestoelen,

giftig en eetbaar, voor liefdes nachtelijke galgenmaal.

Een volle maan lang stoeien melodieën in mijn hoofd,

gooien met modder van harmonie, plagen als pubers

met slinkse dissonanten het laatste leven in mijn jeugd.

Ach werd ik wakker maar, door koude mystiek verdoofd.


zaterdag 19 juni 2010

Dood ligt roerloos

Dood ligt roerloos

op de lippen van een woord:

kom, klaar een nieuwe zin voor me uit

wanneer ik naar je diepte duik.

En vertrouw op mijn ijskoude peilzucht.


Niemand vraagt je naam:

wind is wind,

een nieuwe reden begint

te trillen in het water

van stille, heldere taal.


Strijdend schrijven wil ik, niet stoeien.

Niet in het zand van fraaie paragrafen

met krijsende papegaaien.

Alleen oude vrouwen gooien hun ramen open

voor de magie van schreeuwende klank.


Kom dan, woord.

Ik heb je monddood gemaakt.

Je huilt in verzen naast engeltjes

die vergassen in een droom.

Ril niet langer, en herleef


in een nacht met sublieme décors

die je nodig hebben. Nu je er nog bent.

Kom binnen in mijn gedicht, kleed je uit

en laat me genieten van je betekenis

die naakt moet blijven, buitgemaakt als een punt.

woensdag 16 juni 2010

Tot een zucht

Dit verlangen is een duikboot

door een nacht zonder seks.

Voor mijn ogen rept zich, in fel blauw licht,

een onberoerd oceanium. Rauwe toekomst,

beschut van roofzucht en vals geluk.


Uitgestelde bevrediging is een taalweelde

met clownvissen en bronzen tuba's

die in stilte naar me gapen, wachtend

op mijn muziek van bodemloze zeeën.

Amforen en ankers dansen in wrakken

van sprookjesherinnering. Ik doorboor ze

met een harpoen van ijzig leedvermaak


en glijd door mezelf, in de gedaante

van geruisloze tijd. Als een beckett

die geopend wordt op het sterfbed

verraad ik een elegante nieuwe letter

met baskerville-verleden. Ik lees,

tot diep in de nacht, tot een zucht

de stilte doodt.

dinsdag 15 juni 2010

Op een dak boven Athene

Gedicht geïnspireerd door de aanblik, op het terras van mijn hotel in Athene, van een prachtige, zonnebadende vrouw en haar onverschillige echtgenoot die de Acropolis op de achtergrond stond te fotograferen. Eerder die dag had ik het nieuwe Acropolis-museum bezocht, met de schitterend gereconstrueerde Parthenon-fries waarop in de tweede stanza gealludeerd wordt.


Op een dak boven Athene

ligt Maria Callas te zonnebaden

als Aphrodite zo zelfverzekerd.

Ik bewonder haar Acropolis in ruïne

onder de giftige wolken

die aan nacht doen denken --

dissidente pretbedervers

waarover weerberichten zwijgen.

Een zwembad, bang van Posseidon,

ligt tam en ijskoud aan haar voeten.

Daar staat een god die geboren werd

in donder van blikken, armen in de zij,

verkild verlangen dat een horizon sluit.


In een alternatief universum van het Parthenon

wil ik mijn eeuwig gelijk halen vanavond: wie was het

die vanmiddag voorbijschoof op een lopende band

van vijfentwintig onverschillige eeuwen?

Er zijn verdachte liefdes die ik niet herken, ze zijn vergeten

dat de uren op mijn horloge falen. Ogen die watertanden,

door lagen van tijd zonder kleur: ik beschilder ze

met nieuwe indrukken. Maar één blik dwing ik tot stilstand

in de drukte. Terwijl de paarden op het fries gaan lijden.

zaterdag 12 juni 2010

Naphlion, donderdag 27 mei 2010

tenzij ik me vergis

stap ik een gedicht binnen

dat geurt en gromt als een café in Naphlion

waar niemand ooit zou blijven


duizend snuisterijen wantrouwen elkaar

nu ik mezelf achter vingers opsluit

om een hopeloos geval te bespieden

van inflatoire fantasie


zoem... zoef... ping... en pats!

de ober is een harlekijn

die het overbekende saboteert

en zoals een oude ster

in een nieuwe eeuw sukkelt


hij leeft zonder gewicht

en zou liefst volstaan met twee wenkbrauwen

de geringste blik die mij ontsluiten zal

op een zwart-wit monitor

met Neil Armstrong rechtstreeks op de maan

-- om het kwartier a small step for a man --

terwijl een klok in trillende lijntjes,

ingebrand in de golden sixties,

een vlinder van de ene seconde

naar de andere laat wippen

als een platenspeler die is blijven draaien

zonder behoefte om ooit nog muziek te maken


tenzij ik me vergis

stap ik uit een gedicht

met vergoddelijkte electronen

die zinderen als melancholie in een gevangenis

van beelden, ongeschreven spoken

op de terugweg naar mijn hotel

woensdag 9 juni 2010

Aeropolis, gisteren nog

Helaas, de zon is onder.


Een diamant valt niet uit de lucht,

maar elk verhaal heeft twintig zijden

die je moet laten schitteren

in vraagtekens voor de nacht.


Wie zijn de demonen die me doen schrijven,

hier bij de brullende golven diep beneden Aeropolis?

Ik volg de zachte ritmes van mijn eigen verre trommelaar

en daar zijn de eerste woorden die naar me toekomen,

eigendom van iedereen, tenzij ik ze van mij maak

tussen de wachtende sterren.


Wolken met een randje rood.


Ken ik die sjofel geklede jongens, die van de ene droom

naar de andere overstappen, van de ene kamer

de andere binnenlopen, tuinierend tussen de palmen?

Buigende takken, waarop ik inzoom

op een terras met blote steen.


Concentratie is een kunst

die ik, minnend, leer beheersen.

dinsdag 8 juni 2010

Sparta, half tien

O jij. Alleen.

Met woorden die je opraapt

nadat je ze geschrapt hebt.

Stiekem. Bemiddelend

tussen dromen en ruïnes.

Trotse schepper

in een rieten stoel.


O weer een ander.

Brullende scooter.

Niet wetend. Ghettoblaster

met onweer over de bergen.

Alsof het ertoe doet in Sparta.

Waar alleen verleden,

en krijsende kinderen.


O hij. Jonge vader

die flaneert met zijn kroost,

op een plein met zachte ijdelheid,

tussen lantaars die de avond melden.

Selecteert wat tegeltjes,

motieven die best bij je passen,

glimlachend naar je toekomst.


O woorden.

Aangeroepen en gedeclareerd,

in verzen die je voelde komen

terwijl je ze schrapte. -- Kijk:

vroeg Byzantijns kerkje in de verte,

verlicht door de bliksem.

Onbekend verlangen.