dinsdag 31 augustus 2010

Potloodparty

onder blouses glijdend vermoeden

danst in herinnering door mijn hoofd

een vergeten bundel vol geperste lucht


vroege angst

die schoorvoetend naar me toe komt

en een verlaat ik

dat nooit helemaal zeker weet waarom


ik wacht

als een schim met wijn

op de kracht van inkt

in deze party van stijve potloden

aan een vertrouwde schrijftafel --

flonkerende altaarkaarsjes

in een monddode kerk


voor mij een zeer kort verhaal, ober,

alleen vertelbaar in onopgemaakt bed,

door een externe observator zoals God

die zich schuilhoudt

in versleten rafels van ongeloof

vrijdag 27 augustus 2010

Zonder titel

Niet te geloven hoe er gehoond wordt

door jaloerse zielen wanneer je verliefd bent

zonder eraan te denken je glimlach te camoufleren.


Het is een manier van praten die in staking gaat,

een wegjaag-beweging met de schouder

als om te zeggen: niets telt nu nog mee, mijn zin

staat op een lichaam dat hier niet thuishoort.

Een dodelijke koers. Hoe woorden dan enkel nog

in helder water glijden waarin niemand zwemt.


Vriendschap trekt zich terug. Een tocht

over de wijde zee van jaren is voorbij.

Vannacht krijsen ijzig nog de meeuwen,

sterven uit als een besluit in ziek geheugen.

Mijn geheim zal ritselen in het duingras

wanneer ik morgen langskom. En jij


zal bij me zijn, zonder iets te weten. Elk spoor

van achterdocht is dan verdwenen. Mijn glimlach

zal weer stralen, als een ondergaande zon.

maandag 23 augustus 2010

No more full moons (transl. Annmarie Sauer)

No more full moons


but a dimming light

of warm words,

a strident sonata


my hands ready to strike

with tingling anticipation


no street is always the same

when I happen to return,

but a foreigner

who stands pissing in the rain

on my map of the world --

thousand needles make holes

in this skull


a falcon I am, with luminous eyes,

gliding over turning forests

of time

music of chaos in naked crowns


always the same keys get stuck

in my orderly life. I'll slay this

with chords I caress.


once// on a stormy night// on the last day of the year// no more writing of full moons// and no longer being able to see them// descrying a dulling light// in the old lane one recognizes// the endless beech lined lane// only needing themselves// tonight, a year ago, thirty two and three years ago// on each last day of a new old year// endless years// full of rustling whispers// lived there// in a lane where you meet no one no more// at the end of a chapter of long-windedness// hearing the days shrivel into mis understanding// the annals guard their silence// they sing with words longing for silence// singing in the thunderstorm coming closer// lightening// the light already an issue// all sounds of revelry muted// no old and new// no revelry// no more full moons// only an endless row of beech trees ////////////////////// and the klingclanging of rusting old bells// there somewhere among the lightning// a poet must be speechless//


dash away, blinding snow on stylish braided depressions. disappear, jolting rhythms left behind in the ruts of carts and horses with golden hoofs

verses are a dangerous pack of thieves, treacherously hard, like biting silences gone on too long

verses, bald like just a day you don't want to speak about.

a day, repetitive and persistent, a broken up road of boredom with potholes of amazement.


a poet must be...


... speechless.


between seconds which keep coming

and the pretty stillness of an old clock

inhumanity hides its finest tricks,

curls of past as a child's drawing

on the wall of an abandoned school

and feigns Death the owner of the brain

who's left a long time ago. a game, and yet.


I mutter my resentment at the passing of time,

like an old women her prayers. A chill

falls. I welcome it

as in a cathedral, it glides

with the caress of a silk shawl around my neck.


eternity just needs a shove

to fatally miss the curve.


that glass breaks, bridges collapse

I have to feign while I sing,

it's my job as a poet.


feigning while reason succumbs

without formulating a last wish.


singing that I need words

because of the lack of notes


singing that a handful of verses is enough.


as a poet I have to feign,

with a cast and plumb, compass

and ruler neatly within reach.

there is less to understand

than I can say in the shortest verse


a silence chases us down


a white

overlapping with murdering whinnying

a webbed

void


keeping silent

and discovering what language is for


keeping agenda's closed, without appointments

listening to life

like to a telephone which doesn't ring anymore

at incoming private numbers


giving loneliness a space,

feeling from another century, unread book

on the shelf with precious editions.


gone the outmoded flask.

letting time dissolve

into eternity.


as a poet I must feign, it is my job,

that time brings wisdom, and that wisdom

is a mask of Death.

Night at Kagga Kamma (transl.: Annmarie Sauer)

Bach. Small village after village I come closer
to the drama of polluted potable water.
The evening star will fall
getting out at the other end
of the world. A crater in the day.

Abdullah Ibrahim. Open door. Smell
of nickel and evolution gone awry
which I rented to send it back
through its time. A somnolent township
where the globe under me viciously breaks.

On the road - terror of yellow sodium light,
color of stuffy geography classes -
I smell the savanna in the drowsy night
fading out as the slow drum of a Bushman
in my spooky rearview mirror.

Now there is still Elisabeth Eybers. She tells
how I survive my hypnoses of silence
with machetes of stacked miracles.
Next I feel the butt of a riffle:
god to ask where I am. And whom with.

vrijdag 20 augustus 2010

Niemand thuis

Mijn schild: verkwistende kleur.

Ik had lelies meegebracht,

rustend op een abdijstaf.

Ik kuchte toen ik aanklopte

en wachtte deemoedig

op het kraken van de deur.


Achter de einder, een flauwe zon.

Mijn dag, het al belovend, begon

als een leeg kasteel. Deze pen

waarmee ik woorden streel,


dragende rol in het vergeten.

En ik, musicien ordinaire

zonder masker van fatsoen.

Of hoe die rijmpjes heten.


Groteske herinnering: de enige

die verschijnt blijft heel ver weg.

Zacht uit mijn droom gestapt.

Een contrabas voor de nacht.

Muziek vergist zich van geslacht.

En ik, van tijden.

dinsdag 17 augustus 2010

En dan maar hopen

In een lucht van olieverf en terpentijn,
eigen aan bloeiende supermarkten,
naar de bijbelse god op zoek gaan.

Stilzwijgers in schort en overall gidsen me
tot bij de koopjes. Kijk ze lachen
met hun parelmoerkleurige beloften.
Even dromen onderweg van eilanden
en touroperators met zonsondergang
tegen de muur, sjezend tussen de rekken.

Weer eens het label Onvindbaar beminnen,
terwijl iets me van sekwens naar sekwens vervoert,
als de wind een zaadje op zee, en ik hachelijk eindig
als een fles op de lopende band van de snelkassa.
Dooreengeschudde melk die de lust opwekt,
dit leven waarin je bent wat je pretendeert te zijn,
niet meer of niet minder.

En dan maar hopen dat je god evenaart,
omdat het glimlachjes uitlokt,
of andere onoorbare verlangens
voor huis-aan-huis bezoek.
En voet tussen de deur.

donderdag 12 augustus 2010

Nacht in Kagga Kamma

Bach. Dorpje na dorpje kom ik dichter

bij het drama van vervuild drinkwater.

De ster van de avond zal vallen

bij het uitstappen aan de andere kant

van de wereld. Een krater in de dag.


Abdullah Ibrahim. Open deur. Geur

van nikkel en kromgegroeide evolutie

die ik afhuurde om hem terug te sturen

door zijn tijd. Een ingeslapen township

waar de aardbol venijnig onder me remt.


Onderweg - terreur van geel natriumlicht,

kleur van muffe aardrijkskundelessen -

ruik ik de savanne van de suffe nacht

die als de trage trom van een bosjesman

in mijn spokerige achteruitkijkspiegel dimt.


Nu is er nog Elisabeth Eybers. Ze vertelt

hoe ik mijn hypnose van stilte overleef

met machetes van opgestapelde wonderen.

Straks voel ik de kolf van een geweer:

God om te vragen waar ik ben. En met wie.

dinsdag 10 augustus 2010

The colour of full moon

(translated by Annmarie Sauer)

Together, as old people would,
we decided the color of our shared living.
You choose for full moon, I had to think
a last quarter, sleepless in the middle of the night,
under the skylight which inspired us.

We had to learn to pull back in time,
as water, at fixed times,
leaving shells for children
who yet have to come. Each Sunday
for Tea. The very thought of it.

zondag 8 augustus 2010

Brief aan Rimbaud (fragment)

Nee, Arthur,

ik wil geen volle maan meer zien en me verplicht voelen
om haar licht op de vijver beneden metaforisch uit te melken,
als kneep ik een moederborst leeg, melkbleek licht
dat er alleen zou zijn om mij te herinneren
aan jouw likkende vuurzee.

Nee, Arthur,

een kind heeft geen humor,
en jouw Uriah Heep-verzen lachen te weinig.
Humor is een winst van de ervaring.
Een kind heeft geen medelijden, en jij wil enkel fulmineren.
En jouw verzen, laat ik eerlijk zijn, klinken als proza voor mij,
proza in een stuntelige vechtstijl.
Ergens zeg je dat je je roes wil uitslapen op het strand.
Slaap rustig verder in de onlust en woede
die niemand zo mooi bezingen kon
als jij.