maandag 27 september 2010

Er was iets

Of ik daar poëzie mee zou kunnen maken, wilde hij weten.

Wanneer ik ons gesprek zou opschrijven.

Zomaar, zonder er iets aan toe te voegen.

Terwijl er al zoveel voorhanden was.

Alle tempels die een ster gezien heeft, drie miljard jaar geleden.

En toch ook hier en nu, als een aura waarvoor ik zintuigen mis.


Maar er was al iets in de ondertoon, iets toegevoegds

dat ontsnapte aan het prozaïsche van zijn vraag.

Een wijze om het ongerijmde een hak te zetten

wanneer je na een nacht uitgaan in de spiegel je lippen pruilt

of een arrogante rimpel op een zijspoor van je aandacht rangeert,

als een gedachtentrein die maar voortraast

tussen je dromen overdag.


Ik zal mijn best doen, neem ik me altijd voor

wanneer het kopje koffie de tafel terugvindt,

en de melk god weet welk mysterie in en uit kringelt.

Ik zal het naturel van ons gedeeld moment intact laten,

niet wetend of het aangetast wordt door een verlangen

naar meta-verbanden.


Stil wordt het dan. Zoals wanneer je morst.

Alsof het zo gewild is. Dit moment, een gedicht in wording.

Aan mij om er iets van te maken. Niet aan de woorden.

Vlekken op een trui die je toch al niet meer wilde dragen.

In de kou. Die nog even duren zal. Omdat de herfst een lied zingt

in zijn vreemde taal. Mijn hart les geeft aan een kindertuin.

En ik mijn hoofd vol ijdele junk niet wil verliezen.

In zijn proza dat steeds dichter wordt. En dichter.

Tot het poëzie.

vrijdag 17 september 2010

En dan mijn ogen sluiten

in de vroege herfst

die bij een armtierig station past

waar elke trein te laat komt

zonder excuus erbij

ijsberen langs verlaten geluk

alsof ik dan wandelend naar huis wil,

naar een schepper, maar beeldloos

aarzel over de te volgen weg

die nergens heen leidt


uiteindelijk gaan zitten in de tocht,

loom in een weekblad beginnen bladeren

met sterren die geil naar zichzelf gluren

en me afvragen waar hij zich schuilhoudt,

regen in de onverkorte avond

vol ijdele junk die ik niet lust

terwijl een deur dichtklapt,

zonder iemand door te laten

die bij me wil zijn


en dan mijn ogen sluiten,

als een weesjongen in de communie,

de tafel zien die gedekt staat

met het brood en wijn van herinnering

die achterbleef, waar ik genoeg aan heb

omdat een droom voorbij is

waarmee ik elke nieuwe dag begin,

hoopvol verlangend

naar wie nooit komt

zaterdag 11 september 2010

Bomen in de winter

Tijd verdrijven is een vak,

dat doe je niet onder een druk

van miezerige zomerdagen.

Loodzware leegte.

Bomen in de winter,

beladen met krakend ijs.


Daarom keek ik uit

naar sporen in het zand

van voorbije ervaring.

Zonlicht al flink op haar retour,

naar het eind van een spectrum

waarmee de regen afscheid nam.


Ik liep over het vredige strand

naar het beleg van Oostende

waar een schelpje wachtte bij de forten.

Niet gezien. Bijna vertrappeld. Een jaartal

in de geschiedenisles. Daar is de leraar al

met zijn aangespoeld verleden.

Kropen er maar schildpadden uit het water,

zoals ooit zijn soldaten. Moedige evolutie.


Verder luisteren nu. Ginds in de verte

wisselen golven ervaring van gedachten:

bulderende kanonnen, schuimend water,

kreten van vreugde. Het rulle zand

wordt opgeklopt tot middeleeuwse burcht.

En oma, die oproept tot de terugreis

maar zich afvraagt waar ik blijf,

hier vlak voor haar voeten,


of bomen in de winter,

beladen met krakend ijs.

maandag 6 september 2010

Nachtontbijt

Vannacht naar beneden gegaan
en een zacht gekookt ei gegeten,
zoals een samoerai zou doen,
met glimmend mes en wrange glimlach
waarin eeuwen revanche nemen.
Vroege geilheid van boter
in een verhaal van negen zinnen: liefde
met een boertje in de zachte zonnestro
van de komende ochtend,
in de schuurgeur van verse tatami.

vrijdag 3 september 2010

Bus of auto

Stilteregen. Zonder ruitenwisser.

Motor wil niet starten. En de plu

van een vraag, geopend

als een portier voor mooie benen.


Akteurs doen het in de film.

Zwijgen. Tot ze stralen in close-up.

Over de credits. Rollen voorbij

onder krakende chips. Ssstttt!


Brandende woorden, gehaast,

verlichten bijbelzwarte wegen.

Daarom hoor je mij, als iemand

die afwezigheid veinst, in een vers


dat veel te laat komt. Ongevraagd:

God is een bus, gammel ouderwets,

die zich nooit schuldig voelt, en zucht

bij de bios met smeltende chocola.