vrijdag 17 september 2010

En dan mijn ogen sluiten

in de vroege herfst

die bij een armtierig station past

waar elke trein te laat komt

zonder excuus erbij

ijsberen langs verlaten geluk

alsof ik dan wandelend naar huis wil,

naar een schepper, maar beeldloos

aarzel over de te volgen weg

die nergens heen leidt


uiteindelijk gaan zitten in de tocht,

loom in een weekblad beginnen bladeren

met sterren die geil naar zichzelf gluren

en me afvragen waar hij zich schuilhoudt,

regen in de onverkorte avond

vol ijdele junk die ik niet lust

terwijl een deur dichtklapt,

zonder iemand door te laten

die bij me wil zijn


en dan mijn ogen sluiten,

als een weesjongen in de communie,

de tafel zien die gedekt staat

met het brood en wijn van herinnering

die achterbleef, waar ik genoeg aan heb

omdat een droom voorbij is

waarmee ik elke nieuwe dag begin,

hoopvol verlangend

naar wie nooit komt