vrijdag 29 oktober 2010

Voor 'Antzela' (Angela Gerekou)

Als een beursindex in vrije val de wereld rondgaan,

ongemerkt je belastingen vergeten te betalen

(meer dan een miljoen argeloze kippen)

en bij je terugkeer, aan de voet van de Akropolis,

bekogeld worden met tomaten en rotte eieren.


Na de douche zwerven door de binnenstad,

als een vuilniswagen die op de zenuwen werkt,

dan beslissen om je dan dag en nacht te omringen

door jonge militairen. Toezien hoe ze zich vervelen,

meewarig naar de junkies starend.

De sjofele, gerafelde matras op een bordes

die ooit een comfortabel bed is geweest.


Toch een luxe, zegt de minister over haar cultuur

vandaag op het Plein van de glimmende Eendracht.

Ze zal niet langer de daklozen beschermen,

gewoon wat beter haar bange zelf.

Wat zou ik graag een graantje meepikken

van de kennis in haar verkilde nest.

Athene, 6AM (vervolg)

Een tableau van lichtjes geëxciteerde bodytalk

op de pronkzieke trap van het archeologisch museum:

hoe het verleden van Athene me wantrouwig bekijkt

met gefronste wenkbrauwen, gedraaide handpalm

en gespreide vingers op de knieën - kapotte onrust

wanneer ik in de gaten krijg dat mijn gevallen goden

tussen hun opgerolde matrassen en hellehonden

een volgende shot voorbereiden. HERE TO STAY,

in lompe letters, op een dag die net begonnen is:

nieuwe graffiti op mijn beledigde mythologieën.

Signalen uit een nog veel taaier schimmenrijk.


Straks veren de dropouts van de Olympos recht,

dakloos als een laatste restje zelfhaat in de morgen,

liggende efebes tussen hun marmeren dubbelgangers

met bijgewerkte borsten en braaksels van knalrode verf

rond het marmeren geslacht van eeuwen, om gluurders

hier op aarde met een mokerslag tot moes te slaan.

Hebben ze het eerder al gedaan? Stapje voor stapje

trotseer ik mijn verraderlijke klim naar Zeus,

die naliet de rust te verstoren. Merkte hij dan niet

dat ik sloom op de naalden trapte van een armeluis?

Er is een reden waarom ik in mijn onmacht ben geboren.


zaterdag 23 oktober 2010

Voor bus 26 (gedicht geschreven om afscheid te nemen van de buslijn die het op 31 oktober om 23.10u voor bekeken houdt.).


(Ik hoop dit gedicht op de allerlaatste busrit zélf te kunnen lezen voor de allerlaatste reizigers van bus 26).





Kusje, busje -

jij, koning van een laatavondshow

die ik zelden heb gemist,

anchor met de troostende toon

van een succesvol script vol rock-'n-roll

en zacht gebrom, een feest van nachtwind

en glijdende bomen met wapperende krant

en taterende leegte. Om late tranen nu te drogen.

O wat hield ik van mijn wiebelende dromen

die over Elsschot en Van Rijswijck vlogen.

Wuivende huizen, blind en doof, ze kenden me

en zongen yeah yeah yeah, als stille paarden

die op tieners lijken wanneer ze slapen gaan.

O wat keken ze stoned naar nummer zesentwintig,

de molen, het Edenpleintje en de lei van Jan de Vos

waar nog jaren overleefden waarin jij geboren werd.


Zesentwintig kusjes, busje, die halve eeuw is nu voorbij,

en ik neem afscheid van jou, hulpeloos zoals ik ben,

alleen met een zwijgende haven, die de biezen neemt

door wijken die ik nog niet ken. Ik sluit me in je armen,

souvenir van plenzende regen, drenzende telefoons,

gladde wegen met glimmende weggooi-tijdschriften

en ploeterend ijsberen in de wanhoop van mijn hoofd

waar het soms winterde, terwijl jij nog door-zomerde...


tot je dan eindelijk kwam. Magistraal. Zoals een vrouw.

Na crescendo's van eindeloos uitstel.


Laatste kusje, busje, 't is voorbij, ons avontuur

van samen flaneren door de haven.

Ons tollen door de straten die we citeerden

als dronken vrienden hun liefjes.

Ons frivool flirten met heus niets en altijd iets

dat Antwerpen met neon bedwelmde

terwijl we samen onderweg waren

naar de halte bij mijn bed, daar waar ik belde


bij jouw schalks piepende banden.

dinsdag 19 oktober 2010

Athene, 6AM

Niets aan de hand

met de net begonnen hoteldag.

Geen licht dat te vroeg

door de gordijnen glijdt,

als een strijkage bij de rekening.

Geen valse fractie van een seconde

die een werkdag suggereert.

Geen wijzer die dronken

naast het streepje van zes valt.

Al zou je dan gaan twijfelen

en eerst je ogen nog eens uitwrijven.


Alleen het misplaatst geweld

van ijskoud water. Een oude douche

die zichzelf op temperatuur brengt.

Traag. En de geur van een milde scrub

met handdoek. Ruw.

En je blik, zacht, door het raam.


Niets aan de hand

wanneer je lonken wil

naar de militairen die patrouilleren

in de schaduw van platanen

die sssssssssttttt zeggen.

vrijdag 15 oktober 2010

Open haard van taal

Iemand heeft met graankorrels van haat

taai meel gemaakt. Vergeef de ijdeltuit

in uniform. Er is geen voorland rustiger

dan deze woorden. Suizende wind

tussen het verbrande hout.


Ik wil de rolluik van mijn liefde oplaten

voor een soldaat, die bang is voor de dood.

Ja dat wil ik. Bij hem zijn. Hier thuis.

Mij terugtrekken. Vechtend

in een open haard van verzen.


Voor een donker raam wil ik gaan staan,

in de weerspiegeling van mijn gezicht

het einde van zijn boulevarddroom zien.

De laatste tralie verliest zijn vage schaduw.

Dat is wat ik wil. Angst lijkblijk zien stralen


in de nacht, alsof het oorlog is, met maan,

midden in dit hellekooksel van gave stilte.

Het zal lijken of ik elders ben, vergeten

in een gevangenis van verblindend licht.

Knielend voor dit knetterend vuur van taal.


woensdag 13 oktober 2010

Zonder titel

Vannacht sterft een loodsman in zijn boot.

Boven dit koele zwijgen hangt een regenboog

van hunkering die afleidt van mijn eigen dood.

Ik zit naast een leger wordend bed. Ooit gul

en roze was het vlees. Kijk naar het geraamte

van de klok. Mis onze kale uren in Honfleur.

Wanneer? vraag ik, dokter. Wat wenkbrauwen

en de oesters in mijn herinnering. Slurpend.


Niemand die weet. Ik, het transparante donker

in een haven die zich gedeisd houdt, een regen

met zout van hoger gelegen gronden, ik zuig

bootjes naar me toe, houd ze dicht bij mijn longen

in een piepende herfst van jubelende zonden

en waan me een bordeel, vergeeld aquarium

met glazige wensen. Stervend komt hij klaar.

Terwijl de baxters hun zoentjes druppelen.


Sjofele, koudbloedige vissers laten zich piloteren.

Ik houd ze bij me, springende karpers in een fuik,

misleid door aas, en achter de woorden het waas

van duizend warmwaterkruiken in een kliniek

die zich voorbereidt op uren van reutelende stilte

met schuifelende verplegers, jammerdal vol pracht,

nu opgelost in slijm. Niets menselijks me vreemd.

Vangst van woorden. Verlies voor helder water.

dinsdag 12 oktober 2010

Naakte nacht

naakte nacht

nazomer van een maagdelijke wereld


naakte nacht van zilte woorden

die trillen in het deinende donker


naakte nacht waardoor ik zwem

mezelf verliezend in de geur van regen


ik verdrink de laatste zon in sterrenwater

nee nee nee niet in mijn kijk op de wereld


verdrink ik een naakte oktobernacht

onder een sappige diamant van dageraad


verdrink ik in bijna onhoorbare waterruis

verdrink ik met het kleinste eiland op aarde


beledig ik het leven niet met een hulpkreet

maar vier ik mijn angst met een sieraad van moed


en groet terloops op de oever van mijn tijd

een wazige stilte op stelten, wazig wazig wazig


naakte nacht, daar ginds, in deze mist

die als een bloedplas over mijn blad kruipt


stotterend naakte nacht, gedoemd

tot betekenis die ik schuw


schuw als een glinsterende ananas

van boezems en orchideeën, luwe zin


vol bloeiende gezichten van tinnen soldaatjes

en waterige aanslibsels van loze beloften


waarmee iemand een sluier drapeert

over mijn glimmende torso


dimmende liefde, liefde als nat karton

die iemand met mijn hulpeloze ik begon


zal ik rondjes trekken naar het centrum van mezelf

daar ergens ver ver ver buiten me? ver ver ver


in deze verzengende hel van falen

onder een kille hemel zonder maan


in deze rilling die over mijn rug loopt

een vroeg geschenk van winterse zon


in deze schielijke pijn

genadeloos op mijn netvlies gebrand


hoor ik je roepen in het gras... dan schreeuwen

voorbijglijdende satan van mijn kinderziel