woensdag 13 oktober 2010

Zonder titel

Vannacht sterft een loodsman in zijn boot.

Boven dit koele zwijgen hangt een regenboog

van hunkering die afleidt van mijn eigen dood.

Ik zit naast een leger wordend bed. Ooit gul

en roze was het vlees. Kijk naar het geraamte

van de klok. Mis onze kale uren in Honfleur.

Wanneer? vraag ik, dokter. Wat wenkbrauwen

en de oesters in mijn herinnering. Slurpend.


Niemand die weet. Ik, het transparante donker

in een haven die zich gedeisd houdt, een regen

met zout van hoger gelegen gronden, ik zuig

bootjes naar me toe, houd ze dicht bij mijn longen

in een piepende herfst van jubelende zonden

en waan me een bordeel, vergeeld aquarium

met glazige wensen. Stervend komt hij klaar.

Terwijl de baxters hun zoentjes druppelen.


Sjofele, koudbloedige vissers laten zich piloteren.

Ik houd ze bij me, springende karpers in een fuik,

misleid door aas, en achter de woorden het waas

van duizend warmwaterkruiken in een kliniek

die zich voorbereidt op uren van reutelende stilte

met schuifelende verplegers, jammerdal vol pracht,

nu opgelost in slijm. Niets menselijks me vreemd.

Vangst van woorden. Verlies voor helder water.