zaterdag 27 november 2010

Namiddagje kuieren

Niets zo verkwikkend,

denk ik falend in bezieling,

als een namiddagje kuieren

tussen de ruïnes in mijn hart.


Door een agora loop ik,

met de tempel van Hephaistos

die ooit mijn lava van taal smeedde:

hij was een leraar Grieks, oersterk, aanbeden

als vlammende retoriek voor bulderend dichtwerk.


Ik zwerf door de bibliotheek van Hadrianus

die me zijn woelig leven leerde minnen:

hij was een vriend die me omarmde

terwijl ik las, belaagd door pralerige zinnen.


Maar liefst nog zoek ik vertroosting

bij de byzantijnse stèles van vergeten illusies,

vlak voor het hoogtepunt van hun kunnen.

Dat ze ooit, als een puzzel op de sprei,

mijn dromen voor een nacht wilden runnen!


Waarom zou ik stoppen bij Zeus' tempel?

Dit is geen eeuw voor oppergoden,

ze zijn afwezig of geven niet thuis

wanneer je tijd met hen wil doden.

dinsdag 23 november 2010

Niet kijken naar jezelf

Wolken, geheime ornamenten.
Zondaars in je leven.
Ze komen en gaan aan een koude hemel
die blauw is. Alleen voor jou.
Daar ginds, kristallen van waterige tijd.

Waarom vrienden van je vrienden
voorstellen aan wildvreemden,
niet wetend wie ze zijn?
Omdat ze in een kring staan
om de bleke zon van je twijfel.
Anonieme wolken.

Niet kijken naar je kite, zei oma,
dan word je blind. Haar weke poëzie
deed weinig terzake:
niet kijken naar jezelf, maar stralen
wanneer de woorden gaan stamelen.
Daar ginds, in je verleden.

vrijdag 19 november 2010

R.I.P. Lange Wapper (ingekorte versie van mijn eerder gedicht)

Rijden, rijden, rijden, door de dag, door de nacht,

door de dag, rijden, rijden, rijden, en de moed

is zo moe geworden, en het heimwee zo groot...

auto's, auto's, trucks - en truuks uit de oud doos

van een doortrapte strategenschurk, jij kwelgeest

die na middernacht mijn verkeerde nummer draait,

Wappertje voor het Steen die maalt om mijn koppig

NEEN

en groeit in deze woorden waarin ik mijn haven bemin,

daarboven in wolken waar ik achter de tijd zweef,

ingeslapen in autoluwe jaren en zondagen van stilte,


toen een middeleeuwtje zacht aan de deur klopte

van gesloten musea waar Rubens en Jordaens

tussen schaterende kleuren sliepen.

JA

Ik gun de vaandeldragers van taal een kans,

de taterende trompetten en bedeesde virginalen,

lonkend naar de feeërieke luister van Rederijkers,

stille getuigen - Bourgondisch wulps en sappig -

van een zeldzame zondag zonder ploertige auto's

en dodende trucks. Antwerpen, zo ver je kon zien!

JA, IK WIL

schrijven, schrijven, schrijven, ik pers de zon uit

tot het bloed van een onblusbaar verlangen

en mors mijn illusies tussen bruggen en sluizen.


Ik jaag mijn onrust over baanvakken van broze emotie

met woorden die mijn adem als koorden dichtsnoeren,

fijn stof dat me verstikken wil met het schuldbesef

dat ik zweeg toen ik moest praten, praten, praten

over de groter wordende gaten in de woede

waar mijn kwelgeest geniepig doorheen wou.

NEEN

Ik wil geen magere Hein van hybris, hardnekkig

als een oliespoor van laatkapitalistisch geilen,

ik wil schoonheid waarvan ik nooit genoeg zal krijgen,

om stil mee te stoeien in de kajuit van mijn verleden.


maandag 15 november 2010

Aarzeling

In een Grieks café stottert een soldaat naar me

als het kaarsje voor een oud icoon.

Ik knik, en ruik seizoenen van Byzantijnse tijd.

Zoet als de harmonieën van de lente

smaken zijn woorden, die als fonkelende ogen

in een andere wereld lanterfanten.


Dan sijpelt een aarzeling de zin binnen,

vindt de donkere ondertonen van zijn stem.

Alsof er nooit meer een overwinning valt te vieren.


Met twee handen harkt hij mijn restjes dessert bijeen.

Ik mag niet vragen welke vrienden de illegalen

voor de Turkse kust in zee hebben gegooid.

Zoveel verleden dat onaangeroerd is blijven liggen.


Ik drink wat thee, laat onzichtbare gasten achter ons

beslissen wie ik ben. En monster de leegte

die aan de voeten ligt van elke nieuwe liefde.

zaterdag 13 november 2010

Zonder titel

Apollo, ik weet wat je denkt, reddende god,

en begin opnieuw, als een Griekse stad

die Oosterse wishful thinking verlaat.

Littekens word ik gewaar op jouw arm,

diepblauwe ogen die mij monsteren in de tijd.


Vuiger dan mijn volwassen oor verdragen kan

zijn de combattieve klanken van mijn jeugd,

strijdlustige vechtersbazen die vanavond

dansen over het blad, alsof ze zoëven nog

in nieuwe inkt werden gedoopt.


Ik weet dat het slechts schijn is voor jou:

liefst staan ze in de kou, uitgekleed in hun rij,

onder de vernietigende blik van een dichter

die de indoctrinatie van oude ritmes vreest.

Gespierde geschiedenis, zie je, wil overleven


in zangerige verzen, niet als sjofele jongens

in afgedragen jeansbroek. Zij aan zij.

vrijdag 12 november 2010

Plato bij boekhandel Eleftheroudakis

Na zeven verdiepingen

die langzaam van kleur veranderen

sta ik eindelijk aan de rode zenit

van de Griekse beschaving.

Het is een hele wand Kavafis.

Bundels die neerkijken

op zijn ongemakkelijke eeuw,

zichtbaar vanop straat.

Achter me, de bedwelmende thijmgeur

van een Cycladisch eiland: het moet Elytis zijn.

Altijd, wanneer de zon te laat is opgebleven.

En ginds, die jongen met kniebroek en verwassen T-shirt:

als dat niet Nikos Gatsos is, bedremmeld in een hoek

en wachtend op mijn helpende hand.


Nu ga ik op de tippen van mijn tenen staan:

ik verlang naar een grote blauwe bundel die Plato heet,

alleen maar omdat hij een hekel had aan poëzie.

dinsdag 9 november 2010

Arme ster

Mijn bestaan -- een arme ster

van acetyleen. Meer niet.


En Athene kan niet zonder die opdringerige zon,

die de stad opjut en onrustig maakt.

Tot ze verdwijnt in de veilige afzondering

van een ipod.


Wat overgebleven is van mijn jeugd

kijkt me als licht recht in de ogen.

Ik knipoog, zoek de vier euro bijeen

waarop een nerveuze ober staat te wachten.


maandag 8 november 2010

Athene, 6 PM

Een nare herinnering wou doven.

Ze schoof voorbij, zonder dat ik erop inging

met analyse, vergelijking of schuldgevoel.

De rest van de dag

-- praten, proeven, storende hitte,

wereld omarmen, lawaai

en andere afleiding --

vertoefde ik in een fase van ontkenning.


Nu is het avond, en besef ik dat er niets gedoofd is

op het schaduwterras van een gedateerd kafeneion.

Zorgen en problemen snellen elkaar ter hulp.

Alsof ze lagen te wachten

op wederzijds begrip.


Een post-Olympics metrostel schuift

door rauwe realiteit, in krotten hokkend.

Ik had liever een oude Namco zien botsen.

zaterdag 6 november 2010

Woorden en de dichter

Woorden moeten altijd uitkijken,

een minder fraaie binnenzijde maskeren,

zoals elk stadsbestuur een vierde wereld.


Ja, uitkijken

naar een te laat vertrokken bus.

Twee koplampen in de verte

terwijl ze, bij sterke wind, met bulderende

bomen van voor hun geboorte

een tafereel regisseren van schamele pogingen

vol toegedekte leugens en ondergespoten marmer.


Elk vers dat mijn pad doorkruist -

het meest onverschillige, het meest opdringerige -

vraagt iemand op te stappen die wil blijven,

leven tijdens het wachten in zijn plaats.


Woorden moeten altijd uitkijken.

Ze kunnen nooit de onderwereld uitsluiten

die zich afzijdig houdt.




Soms neem ik vakantie

en blijven de woorden thuis.

Ik weet dat ze zich amuseren

en ben geen dichter meer

in dat besef.

donderdag 4 november 2010

Voor 'Antzela' (vervolg)

Mijn Hellas, badend in een bemoeiziek zelfbeeld,

is haar speeltuin vol graffiti. Gerekou jatte de luxe

onzichtbaar te worden in een waas van cultuur

waarmee ze deed wat ze wou. Nu drapeert ze zich

met de weelde van een vrijheid die samenvalt

met het verleden van opstandige goden, geketend

aan een muur die decennia lang standhield.


Slechts erosie van beloften,

en wat ik daarmee aanvang

met verf en spuitbus van taal,

troublerende herinneringen

aan een geplunderd leven.


De stellingen rond het Parthenon begeven,

reuzen sprinten weg, zoveel versteende junkies,

bang voor de onpeilbare diepte van ziekten,

fonkelend zwart voor vurige ogen van tijd,

struikelen in de slootkant van verspeelde kansen,

nooit meer overeind komen op een museumsokkel.


Toch is Gerekou een boogscheut slechts verwijderd

van die horror. En daarom blijft ze glimlachen

naar de camera's die op uitnodiging komen,

zonder haar oude eenzaamheid een blik te gunnen.