vrijdag 19 november 2010

R.I.P. Lange Wapper (ingekorte versie van mijn eerder gedicht)

Rijden, rijden, rijden, door de dag, door de nacht,

door de dag, rijden, rijden, rijden, en de moed

is zo moe geworden, en het heimwee zo groot...

auto's, auto's, trucks - en truuks uit de oud doos

van een doortrapte strategenschurk, jij kwelgeest

die na middernacht mijn verkeerde nummer draait,

Wappertje voor het Steen die maalt om mijn koppig

NEEN

en groeit in deze woorden waarin ik mijn haven bemin,

daarboven in wolken waar ik achter de tijd zweef,

ingeslapen in autoluwe jaren en zondagen van stilte,


toen een middeleeuwtje zacht aan de deur klopte

van gesloten musea waar Rubens en Jordaens

tussen schaterende kleuren sliepen.

JA

Ik gun de vaandeldragers van taal een kans,

de taterende trompetten en bedeesde virginalen,

lonkend naar de feeërieke luister van Rederijkers,

stille getuigen - Bourgondisch wulps en sappig -

van een zeldzame zondag zonder ploertige auto's

en dodende trucks. Antwerpen, zo ver je kon zien!

JA, IK WIL

schrijven, schrijven, schrijven, ik pers de zon uit

tot het bloed van een onblusbaar verlangen

en mors mijn illusies tussen bruggen en sluizen.


Ik jaag mijn onrust over baanvakken van broze emotie

met woorden die mijn adem als koorden dichtsnoeren,

fijn stof dat me verstikken wil met het schuldbesef

dat ik zweeg toen ik moest praten, praten, praten

over de groter wordende gaten in de woede

waar mijn kwelgeest geniepig doorheen wou.

NEEN

Ik wil geen magere Hein van hybris, hardnekkig

als een oliespoor van laatkapitalistisch geilen,

ik wil schoonheid waarvan ik nooit genoeg zal krijgen,

om stil mee te stoeien in de kajuit van mijn verleden.