donderdag 22 december 2011

München, eerste sneeuw

In de Pinakothek der Moderne

is alle ruimte ijl vanmorgen.


Twee kinderen vervelen zich in de tocht

waarin verstrengelde beertjes draaien

om een as van fantasie: hun moeder

verdeelt haar aandacht tussen kunst


en hoopvolle toekomst. Drie echo's

stijgen en dalen als jojo's van gisteren

naar morgen, verloren

in een sfeervol niemandsland.


Ijsberend schrijf ik een brief

en stuur een sms, alsof daarbuiten

iemand wacht. Alsof mijn liefde

niet zonder aanspreektitel kan.


Beste schilder van het woord,

hier ben ik weer met mijn teveel.

Het is een witte zaal met hoge muren,

verminkte stilte die blijft duren.


Alsof het oude München me heeft gehoord

is daar de eerste sneeuw van het jaar,

met trieste gulheid van herinnering.

Zo is het einde. Einde van een jaar


dat terugkeert, als de zeefdruk van Warhol

voorbij de laatste treden naar de hemel.

maandag 12 december 2011

Opnieuw jij

De stroom wordt aan het trillen gebracht
door de wind.
Een kudde paarden haast zich ondersteboven
door het water.
Arabische stemmen stranden in woorden Frans
en een vader houdt zijn baby op de arm,
al wiegend.

Daar zijn mijn gedachten weer
die zich nergens op fixeren.
Even later ben ook jij er opnieuw --
verdwaald
tussen een opstandige meute
van vergeten neuronen.

vrijdag 25 november 2011

Dociel

eerst hangen ze rond mijn bed

koel als sproeiers op zomers gras

dan komen ze roerloos tegen me aan

als grote zachte borstels

werkloos in de winter


het zijn de liefdes

met hun zoetgevooisde stem

die het right here, right now willen

dociel zoals een auto in de wasstraat

zoals de maan die zacht voorbij schuift


in de nacht


donderdag 17 november 2011

Zonder titel (geschreven op de trein vanmorgen)

Iemand zei me, terwijl een pendule gewichtig slingerde,
dat de tijd zo snel voorbijgaat. Waar was die haast
die ik niet zien kon? Het zou me niet verbaasd hebben
dat er slechts een uur verstreken was sedert je geboorte
in mijn leven. Je afwezigheid is de stilte tussen twee seconden.

Ik vroeg je zonder schroom wanneer we elkaar zouden weerzien.
Je moet gedacht hebben dat het niet vlug genoeg kon zijn.
In werkelijkheid deed het tijdstip niet eens ter zake.
Ook al zou ik nooit meer dan een glimp van je opvangen,
dan nog zou ik blij geweest zijn met je stijlvol antwoord.

Zie je, voor mij telt slechts de mildheid van een tegemoetkoming.
En verder zijn er vijf levens die ik geduldig postuleren moet
uit een eindeloze rij mogelijkheden, mij verder onbekend.
Ze zijn het geheim, prikkelender dan elke waarheid,
waarmee de schim van deze liefde nu slapen gaat.

dinsdag 15 november 2011

Zonder titel

wat ik zeggen wou
het is alsof je dat al weet
en daarop reageert
nog voor ik een woord voel komen

amper heb ik mijn lippen geopend
of je maakt me al monddood
en geniet
van de verzekerde stilte

ik moet omzeilen
om levend te houden
wat je ver van mij verwijdert.
dat is wat ik wil:

leven
in de dood
die je voor mij
gekozen hebt

zaterdag 12 november 2011

Ongehoorde vragen

Ik sluit mijn ogen

om je beter te kunnen zien

in de wirwar van ruwe vragen

die als neuronen het signaal passeren

van een ongehoorde liefde.


Dan open ik mijn ogen

en sta alleen, in een donkere schedel,

onverwarmd en leeggeroofd door twijfel.

In een hoek van vochtig vermoeden

lig je te slapen. Ik hoor alleen je adem.


Ik sluit mijn gedachten. Die favela van sfeer.

Kansarm hoofd, veel te naakte zorg om jou,

aan het einde van een onverlichte modderweg

die naar armoedige ogen leidt. Onverhard.

En of ik rijk wil zijn. Met letters die verblinden.


Dan open ik een tas hooggevoelige vragen

die zacht kreunen, inspecteer ze op schimmels

met het ingebrachte speculum van de tijd.

Er geurt een herkomst die niet van mij is,

maar van lichaamsvochten die ik wantrouw.


Aan het slot antwoorden mijn ogen

om beter de man te kunnen worden

die je vaker in je dromen hebt ontmoet.

Nu leg ik zacht een hand op je ogen

om bij je te zijn. Voorbij de gedoofde zin.

vrijdag 4 november 2011

faceboekje (mijn kortste gedicht ooit)

Add friend. Like. Share.

Unlike. Other friends.

Zonder titel

soms

zie je een voetballer

die traag voortschrijdt

door een slow-motion van gemiste kansen

naar een doel dat uit het zicht verdwijnt

terwijl jij hulpeloos staart

naar de gehavende tijd

die niet voorbij wil gaan


soms

verblind door halo's van winterlicht

slenter ik door die arena van mijn faalangst

voorbij een tribune van vrije dagen

joelend en hossend

tot hun stemmen verschorren

en verstommen, in herinnering

die niet langer wil blijven


soms

wanneer het stil wordt op de zender

die je ooit ontvangen kon

voor je insliep in je fantasie

loop ik naar het beeld dat je bedriegt

en jaag het met sneeuw uit je brein

dat zacht scoren zal

in een krijsende ochtend

vrijdag 28 oktober 2011

De wolken zeggen niets

De wolken zeggen niets.

Hebben geen donder nodig

om indruk te maken. Ze haasten zich

nauwelijks, het grijze landschap gunt hen geen zin.

Ze gedragen zich als hangjongeren die irriteren

wie niet om hen geeft. Daar in de huizen,

waar het weerbericht een verveling verdrijft.


De wolken zeggen niets.

Ze zijn onvindbaar op de kaart. Voelen koud aan

wanneer een hand naar de zwangere leegte wijst

die met hagel gaat schermen. Zien de reclame niet

vol leugens en beloften. Het is een grimmige wereld

die wacht in de zetels. Moegetergde lusteloosheid

van stoeiende kinderen die straks gaan slapen.


De wolken zeggen niets.

Ze doen waarvoor ze geboren zijn.

Een ontlading uitstellen. En verder drijven,

hun ondergang tegemoet.

vrijdag 21 oktober 2011

Zonder titel

Regen in mijn hart

en jouw plu van troost.

Vaak gehoorde woorden,

aaibaar als zachte pels.

Het is behelpen

in de begerige herfst

waar ik met je schuil.


Met neergeslagen ogen

neem ik een compliment op,

als een verdwaalde poes.

Ik geef de herinnering wat melk,

hoop dat ze ooit terugkeert

nog voor ik haar vergeten kan.


Er ligt een dode vogel in de verte

bij je verwilderde vijver van taal.

vrijdag 14 oktober 2011

Jij

de meest vreemde eend

in de bijt van deze rust

ben jij


een akelige adem in mijn nek

doorleefd tot aan de grens van het horen

ben jij


de enige die zich niet meer roert

wanneer ik kibbel

met mijn leugens van gedachten

ben jij


als de luchtbel

ben jij

die speelt in een waterpas

wanneer ik mijn weerbaarheid verlies


jij

die alle christelijke manieren kent

om een stoute droom waar te maken

wanneer ik in mijn leegte staar


naar de schemerzone van je liefde

vrijdag 7 oktober 2011

Oval Office, binnen en weer buiten

- Aangenaam. Vrees geen witte aanslag, meneer de President. Ik weet wie u bent. En u? Heel gewone angst voor het bevriezen van de wereld in het rijp op de bomen van uw kouder wordend beleid kan ik counteren met een aangename begroeting, eenvoudig omdat u mij niet kent en wat onwennig antwoordt met de micro pal voor uw lippen, om mijn herfst van taal te verdrijven die buiten weerspiegeld wordt in het park van Marquis de Lafayette, daar waar Bo, uw pup, kwispelt in het slijk van Kennedy-verleden dat geen spatje achterlaat op mijn propere gedachten en dronken vertedering, terwijl de oude dagen zich als bladeren herschikken op een lege bank, zoals de commercials in het nieuws van CBS.


- Aangenaam! Obama! zult u mij zeggen, alsof ik twijfel aan een naam, ik die, turend door het raam, niet eens vergeten kan dat u een nazaat bent van Marie-Joseph Paul Yves Roch Gilbert du Mortier - wat kan ik voor u doen in dit oval office van mijn goed verstopte negroïde onschuld?


(Nu wordt er thee geserveerd, in porceleinen kopjes waarop ik de lippenstift vermoed van Monica Lewinsky, ooit voer voor special correspondents in het Nightly News).


Speechen, denk ik, meneer de President, in zacht crescendo waarvoor u immers geboren bent, en er goed blijven uitzien, zoals uw nieuwe raadgeefster die moeiteloos harten verovert in het gevaarlijke Colombië, al zou ik niet weten wat ik aanmoet met zoveel borsten op die kutzenders van CBS-affiliated stations, als ik in haar plaats was. Speechen, zoals het spontaan en toch goed voorbereid in de liefde gaat. En al zou het maar tussen de regels blijven: almachtig Israël oproepen om vrede te sluiten met een onbetrouwbaar Libanon, daar waar mijn zwarte schaapjes grazen tussen de ruïnes van uw Amerikaanse hel.


En weten dat we, in de liefde zoals in de politiek, eerst moeten breken om dan te kunnen lijmen tot iets dat nooit meer als voorheen zal zijn, hoe hard we daarnaar ook verlangen.

zaterdag 24 september 2011

Stilte is (gedicht geschreven voor mijn collega's bij Klara, om hen te inspireren voor de Stiltedag van 30/10/11)

stilte is ver weg

waar in de schemering

onder een blozende hemel

een stad met zomervuurwerk

is gevlucht in het geheugen,

waar troostende woorden

die met ons huiswaarts keerden

klem raakten onder zuchtend asfalt

van opgebroken euforie


stilte is vlakbij

waar lichtbomen geil tegenspartelen

tot bij de kietelende sterren,

stiekem tussen vrijpostig neon,

doof en weerloos als naakt verlangen,

sporen in het uitgegeurd herbarium

van dromen die niets meer weten,

gordijnen van golvende eenzaamheid

voor het raam van een bejaard heelal


stilte is daarboven

waar nevels gedijen, terwijl beneden

ijsbergen tersluiks naar elkaar glijden

en dan samen clashend verdrinken

in donderend geraas met vloedgolf,

opwaaiend stof van oeroude eeuwen

en zeven levens lang ademend koraal,

zwijgende wereld op roerloze bodem,

de oceaan weer opgeteld bij alle regen


stilte is hier beneden

nooit de vinger leggen op een klank

die onze kiem van toekomst was

toen we na het vrijen nog sliepen

bij een kapotte jukebox in dat café

met acht gekeerde stoelen,

onwetend over het komende krieken

van een reeds verschaalde dag,

beroofd van water en belustheid

dinsdag 6 september 2011

BASE-shop met oude trapgevel

Soms lijkt het of ik wacht op de terugkeer

van tijden die uit het zicht verdwenen zijn.

Noem ze zestiende, of zeventiende eeuw,

mij om het even: een trapgeveltje, belaagd

door uit de hand gelopen herfst, volstaat.


Beneden worden BASE-telefoons verkocht,

de posters doen hun werk en de verkoper

spreekt me aan. 'Zo meneer, hoeveel tijdskrediet

kan u gebruiken?' Maar ik negeer hem, zoals hij

de zandstenen dekstukken op het renaissancedak

boven zijn wet look met speelse lokken. Waar is

zijn hermelijnen jas en pijpjeskraag? Hij ziet in mij

een Vlaamse primitief, hij voelt dat ik mijn beelden

nauwkeurig schilder, en bouwt een kleine pauze in

opdat ik even met een maestro kan overleggen.


Berichten kloppen aan. Mooie woorden komen binnen.

'Kan ik in een-twee-drie van favoriet naar favoriet?'

willen mijn vingers weten, zijn touchscreen strelend.

Het moet de oude polyfonie zijn die me verleidt

in het riedeltje dat hij laat horen.

vrijdag 2 september 2011

Verwelkte poster (voor Frank de Vos)

In de Vierseizoenenlaan,

daar waar het altijd lente is,

willen bomen niet gerooid worden.

Waarom zouden ze: ik houd van hen

wanneer ze naakt zijn, krakend in hun voegen.


Kinderwagens komen er nauwelijks,

het is eerst tijd om vetes te begraven,

trage pas in matte zon, als suffe baby's

die wauwelend lachen en vredig inslapen,

jonge scheutjes achter brieksteen en wat neon,


rammelaar met weelde van bonte paardjes,

alsof er nooit aan overleven is gedacht

met krijsende vogels en bijtende kou,

achtergelaten door een spannende winter.

Huizen staan te koop, een hoop, maar niemand


die nog kijkt. Alleen op een verwelkte poster

wordt geld ingezameld. Wist iemand maar

waarom. Achter jaloezie, met net voldoende licht

om stand te houden, pronken wat orchideeën

voor het raam waar eens mijn liefje woonde.


Rozen kwijnen weg in hun verspilde tijd.

De grenzen van mijn zwijgen willen wijken.

De kansarmoede van mijn hart is uitgekeken

op deze bleke weerschijn onder een luifel

van niet beseft vermoeden. Toch bel ik aan.


Vergeefs.

woensdag 31 augustus 2011

Wie ben ik?

Wie ben ik? Fluister het mij toch,

onzichtbare vriend in de koele luxe

van mijn volwassenheid. Schreeuw het niet

van de daken. Gun mij nog

het oorverdovend gezang onder de eerste zon.


Wie ben ik? in de verschralende herinnering

van een spel met meeuw en storm.

Alleen ik weet het antwoord. En vecht

met de snel ruïnerende granietsteen

van een baroktrap naar de hemel.


Reis als een gehandicapte mijn wereld rond.

Rol mijn stoel van angst naar angst,

door vallende duisternis en glimmende eenvoud

met hun mime van geveinsde standbeelden

belaagd door nakende regen.


Wie ben ik? Ik zal het nooit meer vragen.

De nacht gaat lopen met mijn verlangen.

De schmink loopt uit, een droom verpulvert

en bij het wakker worden zie ik een ander

die per vergissing naast me ligt te wachten.

vrijdag 19 augustus 2011

Perron vijf onder de hagel

Veel goede bedoelingen tatert de luidspreker

over treinen die maar niet komen.

Het Nederlands vol hagelharde woorden

is een noodweer dat pijn doet aan de oren.


Ik ben al zes keer voorbij een meisje geijsbeerd

dat me monstert terwijl haar cha-cha een beetje dieper

in de mond glijdt. Ik zou een verlangen moeten voelen

om haar eenzaamheid de diepte in te boren.


Er loopt veel spannende hoop op perron vijf.

Ze wurgt me nog voor ik haar ontzenuw

vanuit mijn hang naar dingen die zo écht worden

dat deze ogen ontoereikend zijn om te knipogen.

dinsdag 9 augustus 2011

Vanavond in mijn bibliotheek (voor Marina H.)

Een zoet citroentje is blijven hangen

aan mijn glas. De alcohol raakte zoek.

Niemand zag het dronken verlangen -

maar het knipoogje van een kinderboek


wenkt aan een pas geverfde melkweg

met de fonkeling van diamanten woord.

Ik reageer met liefde die ik in stilte zeg.

Niemand heeft die eeuwigheid gehoord.

zaterdag 6 augustus 2011

Voor hem

Ik zoem en zoem, verlies mezelf

als een bij in een lege kamer.

Toch denk ik gehoord te worden --

door iemand die er nog niet is.


Ik tast in het donker, betast

mijn zonverbrande handen

met de vingers van een dode --

hij lacht bij het vrijstaand ledikant.


Het is alsof mijn stekelige hart

nog blind is als een kleine mol

die met zijn liefde verder wroet --

een akker die nergens ophoudt.


Daar, bij zijn horizon ga ik dichten,

als een klunzige laatavondzon

die tatert tussen de wolken --

voor hij doodgaat in een raam,


in dansende verzen die dan faden

als zijn schim, in het klachtenboek

dat mijn nieuwe bundel is. Hij --

die mij maar niet verlaten wou.

vrijdag 5 augustus 2011

Hama (Duitse vertaling: Fred Schywek)

HAMA
Diesen Sommer drehen da Seegräser mit
auf den Wassermühlen von Hama.
Zu Stück gerissene Erinnerung?
Das alte Aquädukt soll sie nicht mehr
fallenlassen. Wo einst der Acker lag
gibst jetzt Trost vom Alt-Hama-Poster:
es ist Assad, Vater und Sohn
sowie 30.000 Toten. Sieh’
wie explosiv sie wachsen,
ein Jahr überwuchern
darüber das Städtchen schweigt.
Als ein Kind das sich erwicht fühlt,
zwanzig Jahre später:
Kollektive Erinnerung,
warten auf die Mitfahrgelegenheit.
Ein Karren, ratternd und tatternd,
ohne irgend ein Ziel.
Das feste Repertoire des Geschichtenerzählers
Den Niemand gesehen hat.
Irgendwo werd’ ich ihm finden,
sagt der Lonely Planet.
Sein’ Welt steht einladend
Auf einer Spalt. Wie das Fenster.
Wo anders, Weltentfremdet:
zwei alte Menschen
im Campingbus bei dem Orontesfluß.
Belgier überraschenderweise.
Sie schält einen Apfel,
er erzählt die Geschichte,
in Stücken, in Brocken.
*
Haß bleibt kleben, als Kratzer einer Schallplatte,
in Unverständnis, als Erinnerung angstvollen Vermutung,
als verschaltes Bier nach Thekenschluß,
währenddessen der Regen jankt auf den Bürgersteig
und der langsam sich verändert in Blätter
aus einer betrunkene Wüste mit dem wankenden Kamel
von einer angstvollen Vermutung.
Die Platte hängt, so klinkt der jaulende Muezzin
das du tot bist so wie verirrten Schafen
in der späten Nachmittagssonne. Kein Schäfer zu spüren
so lange Geschichte noch reicht, das ist weiter
als deine Schweigepflicht. In unlesbarer Wirklichkeit
gehört eine Arabische Zeitung mit Würgegeräuschen
und Arabesken vor dem Schein, mit Nescafé Täßchen
auf Kosten der Baath Partei.
Haß hängt immer noch auf dem Ufer des Orontes,
in meiner unterkühlten Wüste, airconditioned
in der Spiegelung von dem großen Minarett
die heute morgen noch meine alte Liebe herausposaunte.

German translation: Fred Schywek

donderdag 4 augustus 2011

Zonder titel

Tussen Arabische stemmen in de verte
huilt een meisje. Het is sterker dan mezelf
dat ik wakker blijf. Een trage klok ritmeert
de zachte kalligrafie van pijn,
krullen van onvertaalbare zorgen.
Ik begrijp niet waarom de uren zich laten rekken
door mijn machteloze aandacht.
Leef ik mee door de tijd te tergen?

Als ik lang genoeg wacht
gaan ze zelf aan het schuiven --
de woorden om me te kastijden.

woensdag 27 juli 2011

Ondergang van laatavondlicht

Ik weet natuurlijk niet meer of niet minder dan jij of om het even wie wat de dingen betekenen die blijven hangen in ons hoofd, dat zou maar al te makkelijk zijn, net zoals deze zin die toch plots omslaat, dat is gek, alsof er rijm in de lucht hangt, want of het nu wil of niet...

...Ik voel me knus in mijn auto,
help de nacht op de been
de wereld kent mij niet
ik ken de wereld niet
ik flits over drukke dagen
naar de zoete slaap van mijn voorstelling
het toneel is verlaten
de lichten zijn gedoofd
en armoede zingt in mijn hoofd
het is een wind van elders die binnenwaait

I rage, rage against the dying of the light.

zondag 24 juli 2011

Zonder titel

Er dendert een warme singsong stem

door de kleine martelkamer in mijn hoofd.

Verstrooide vlinders vliegen in slow-motion

naar de hagen die hun bladeren verliezen.

Het moet herfst zijn wanneer ik naar je kijk.


Waarom? Een rouwig gevoel ligt naast me

op de foto die zwart-wit had moeten zijn

maar zich als oogschaduw van kleur vergiste,

en ik streel het, op een kussen van troost

dat geurt naar lege nachten met Guinness.


Je bent er nog, ik leg je weg als een wolfsklem

die me te grazen neemt, fotoroman zonder tekst,

een bloedmooie ober die achter de rug van god

zijn sinaasappelen staat te persen. Ik weet wel

dat een ontbijt aan bed geen partij is voor mij.


Dana zingt over een regen van geluk

en waarempel, dit vakantiedorp, stil en alleen

begint breed te glimlachen in melige zon.

Ik moet een oude rivier karteren in het raam

en schapen laten grazen in gesloten verleden.


woensdag 13 juli 2011

Eenzaam. Met al je zinnen.

Eenzaam.
Spoor van inkt op een lege bladzijde.
En jij die bang bent voor het woord
dat niet meer droogt.

Laat het verschijnen in een lettertype waar je van houdt,
in een lay-out waarmee je goede smaak verovert.
Laat het ademen op papier dat heerlijk ruikt,
mystiek lichaam achtergebleven in de huid van een lam.

Je zal terugdenken aan ganzenveren en incunabelen
in oude kloosters, met monniken die letters koesteren
op zoek naar een gepassioneerde lezer
die het perkament in kunstig minnen compleet maakt.

Eenzaam.
Met al je zinnen.
Nooit bang zijn van dat woord,
dat als natte verf op de eeuwigheid ligt.

zaterdag 9 juli 2011

Alleen

Alleen zijn. Alleen maar ZIJN.
ALLEEN.

Met mijn interpretatie van een werkelijkheid die niet van anderen is.

Met mijn onbewoonde kastelen en burchten, de meest koppige, op beboste heuvels die de oversteek van een rivier beheersen. Daar woont het leven van vele eeuwen.

Met de troubadour die bijna dorpsgek was geworden: Franciscus van Assisi, en zijn Vrouwe Armoede. Misschien staat het goed om een mysterieuze naam toe te voegen aan mijn lijst van drie vrienden.

Met Michel Butor, die vindt dat de toespraken van politici alle hetzelfde vertellen, omdat ze multi-interpretabel zijn. Ik zou zo graag een gedicht schrijven dat alles gezegd krijgt, in drie luttele verzen zonder dubbele bodem.

Met Marcel Proust, de 'ik' die alles weet over een rijke Jood en zijn liefde voor een onverschillig hoertje. Alles over haar verleden en heden, waar hij nooit bij geweest is. Paradox van de verteller!

Met de boom die is omgewaaid en midden op de weg ligt. En of ik dat een toevalstreffer moet vinden, of een teken van God.

Met Dante en zijn Beatrice, die niet van anderen is. Maar van God. Zoals mijn werkelijkheid.

Alleen. Met deze woorden. Die hen samenbrengen. Hier. En nu.

vrijdag 1 juli 2011

God, mijn vliegtuig en de omgevallen boom

Een eik is vannacht flauwgevallen in de storm

tussen een wirwar van hulpeloze beuken,

buikdansend in de achtergebleven wind.

Hij ligt dwars over mijn weg naar de luchthaven,

als een slachtoffer in zijn plas, zieltogend

in bladergeritsel, van nachtelijk lijden verstild.


Ik loop naar hem toe, als een elokwente reporter

die live ter plaatse is in deze verzen, want iedereen

wil weten of het vliegtuig op mij zal wachten.

De maan is een zwakke zaklamp. De jonge loten

blozen alsof ze zich schamen voor het kreupele hout.

Ik wil om hulp roepen, in stilte tussen de strofen.


Ooit moeten, hoog in de lucht, alle inzittenden

om het leven komen in een goed getimede crash,

vergelijkbaar met die van de oude knoest.

Zal een schepper mijn ziel dan stiekem terugwinnen

door te liegen dat mijn leven van hem niet meemocht

en gered moest worden door een neerzijgende boom?

donderdag 23 juni 2011

Voetbal tussendoor

Misschien is de betere voetbalwedstrijd zo gek nog niet,
in een BMW die zelf vast beter weet,
na jaren nachtbraken in de stad.

Er zijn bochten die ik niet meer volgen kan
wanneer de taxi-chauffeur zijn leven vertelt.
De rit verandert in een dribbel voor geboren losers,
maar feeërieke lichtjes blijven twinkelen in zijn ogen.
Dan maar zacht de ogen sluiten
en het neon ritmisch laten beamen.

Summier vermoeden van licht op mijn retina
terwijl ik luister naar een stoeiende stem,
live uit het voetbalstadion
waar net gescoord wordt.

Op het doelpunt volgt de anti-climax van een scheiding.
Zwaar verlies, suggereert de meter.