vrijdag 1 juli 2011

God, mijn vliegtuig en de omgevallen boom

Een eik is vannacht flauwgevallen in de storm

tussen een wirwar van hulpeloze beuken,

buikdansend in de achtergebleven wind.

Hij ligt dwars over mijn weg naar de luchthaven,

als een slachtoffer in zijn plas, zieltogend

in bladergeritsel, van nachtelijk lijden verstild.


Ik loop naar hem toe, als een elokwente reporter

die live ter plaatse is in deze verzen, want iedereen

wil weten of het vliegtuig op mij zal wachten.

De maan is een zwakke zaklamp. De jonge loten

blozen alsof ze zich schamen voor het kreupele hout.

Ik wil om hulp roepen, in stilte tussen de strofen.


Ooit moeten, hoog in de lucht, alle inzittenden

om het leven komen in een goed getimede crash,

vergelijkbaar met die van de oude knoest.

Zal een schepper mijn ziel dan stiekem terugwinnen

door te liegen dat mijn leven van hem niet meemocht

en gered moest worden door een neerzijgende boom?