Soms lijkt het of ik wacht op de terugkeer
van tijden die uit het zicht verdwenen zijn.
Noem ze zestiende, of zeventiende eeuw,
mij om het even: een trapgeveltje, belaagd
door uit de hand gelopen herfst, volstaat.
Beneden worden BASE-telefoons verkocht,
de posters doen hun werk en de verkoper
spreekt me aan. 'Zo meneer, hoeveel tijdskrediet
kan u gebruiken?' Maar ik negeer hem, zoals hij
de zandstenen dekstukken op het renaissancedak
boven zijn wet look met speelse lokken. Waar is
zijn hermelijnen jas en pijpjeskraag? Hij ziet in mij
een Vlaamse primitief, hij voelt dat ik mijn beelden
nauwkeurig schilder, en bouwt een kleine pauze in
opdat ik even met een maestro kan overleggen.
Berichten kloppen aan. Mooie woorden komen binnen.
'Kan ik in een-twee-drie van favoriet naar favoriet?'
willen mijn vingers weten, zijn touchscreen strelend.
Het moet de oude polyfonie zijn die me verleidt
in het riedeltje dat hij laat horen.