In de Vierseizoenenlaan,
daar waar het altijd lente is,
willen bomen niet gerooid worden.
Waarom zouden ze: ik houd van hen
wanneer ze naakt zijn, krakend in hun voegen.
Kinderwagens komen er nauwelijks,
het is eerst tijd om vetes te begraven,
trage pas in matte zon, als suffe baby's
die wauwelend lachen en vredig inslapen,
jonge scheutjes achter brieksteen en wat neon,
rammelaar met weelde van bonte paardjes,
alsof er nooit aan overleven is gedacht
met krijsende vogels en bijtende kou,
achtergelaten door een spannende winter.
Huizen staan te koop, een hoop, maar niemand
die nog kijkt. Alleen op een verwelkte poster
wordt geld ingezameld. Wist iemand maar
waarom. Achter jaloezie, met net voldoende licht
om stand te houden, pronken wat orchideeën
voor het raam waar eens mijn liefje woonde.
Rozen kwijnen weg in hun verspilde tijd.
De grenzen van mijn zwijgen willen wijken.
De kansarmoede van mijn hart is uitgekeken
op deze bleke weerschijn onder een luifel
van niet beseft vermoeden. Toch bel ik aan.
Vergeefs.