Ik sluit mijn ogen
om je beter te kunnen zien
in de wirwar van ruwe vragen
die als neuronen het signaal passeren
van een ongehoorde liefde.
Dan open ik mijn ogen
en sta alleen, in een donkere schedel,
onverwarmd en leeggeroofd door twijfel.
In een hoek van vochtig vermoeden
lig je te slapen. Ik hoor alleen je adem.
Ik sluit mijn gedachten. Die favela van sfeer.
Kansarm hoofd, veel te naakte zorg om jou,
aan het einde van een onverlichte modderweg
die naar armoedige ogen leidt. Onverhard.
En of ik rijk wil zijn. Met letters die verblinden.
Dan open ik een tas hooggevoelige vragen
die zacht kreunen, inspecteer ze op schimmels
met het ingebrachte speculum van de tijd.
Er geurt een herkomst die niet van mij is,
maar van lichaamsvochten die ik wantrouw.
Aan het slot antwoorden mijn ogen
om beter de man te kunnen worden
die je vaker in je dromen hebt ontmoet.
Nu leg ik zacht een hand op je ogen
om bij je te zijn. Voorbij de gedoofde zin.