maandag 30 januari 2012

Zonder titel

Het alleen-zijn brengt je de liefde voor eenvoud bij.

Wiegende wilgen beamen al, maar waarom weeklagen

wanneer die woorden wijken voor hun weerspiegeling.


Je zet je duikersbril op om oesters en oude ruïnes te ontdekken

in de parelende ogen van een vreemde. Ze zweven zwijgzaam

door de liefdestijd die je van een ander kreeg: onderkoelde stilte


die tegen de plinten klotst. De houten gebinten kraken

en de wind wil stiekem naar binnen, dan weer stil naar buiten.

Wie begluurt wie?


Als mannen in een café en de voorbijgangers op straat:

nauwelijks uit elkaar te houden. Ongeziene vriendschap

in je kamer. Woestijn met oude hammam erbij.


vrijdag 27 januari 2012

Voorbij

Kun je liefde terugfluiten

met een zijden handschoen,

oplossen in een vriendschap

met mobiele telefoon erbij?


Wat de regen me nu weer te vertellen heeft,

alleen een late bus die me naar huis brengt

kan het weten. En deze woorden, die thuiskomen

bij hun vermoeide kinderen van emoties.


Winnen doe je natuurlijk niet, doet niemand,

wees blij dat je een sportieve verliezer bent,

en vergeet nooit meer dat ware hartstocht

het onderspit moet delven vlak voor de zege


die aan de ander is. En treur niet. Het huis

is leeg, als een bühne, je publiek slaapt al.

Iets is voorbij. Een dag, de voorstelling

van je fantasie. Het spotlicht van de poëzie.


zaterdag 21 januari 2012

Daar waar het laatste thema

Leven. De laagjes van een ui pellen.

Zure tranen huilen en de dader zoeken.

Iets aanpakken en dat poëzie noemen.

Daar waar het laatste thema bloedt.


De dood van een vader versnipperen.

En je voelen als de plagende narrenwolk

die het zonnige blauw een lesje gaat leren

omdat-ie dam wil spelen, dam voor vreugde

in een winter die over heropstanding speecht.


Het was maar een voorspel, virtuoos stil:

niet alleen tijd is een snelstromende rivier.

Ook deze glimmende woorden, blinde bijen

die in een maagdelijke toekomst stromen,

willen niet terug naar hun drassige dromen.


Zoals in de fuga: het regent sneeuw, nu.

En sneeuwt een uurtje van het zwarte soort.

De wereld ruimt weg, ritmisch, tot een oever

kleiner wordt, onzichtbaar ver verwijderd.


Aarden dam spelen. De loop herzien

van al dat reine water. Per kerende post

één onbeantwoorde vraag stellen

over de grenspalen van mijn jeugd --

daar waar het laatste thema bloeit.

vrijdag 6 januari 2012

Stèle voor Louis-Paul Boon, honderd.

Stiltes staan hier in slagorde, als broers

die ik fotografeer in de studio van het verleden.

Rustig is deze afdeling van mijn gedicht

waar stemmen zich verheimelijken in gebeden.


Ik loop door de fabrieksstad waar het altijd regent.

Ik zoek een boom, zwart onder woordendruppels,

tranen voor het edel paard met moed in de ogen,

grijze lila zachtheid die Boon met chaos zegent.


Hier zwijgt een krassende pen, ambitieus-brutaal

als de zon die zich komt moeien. Een voet. Trapt

in de plas die ik ben. Als Reinaert in een nieuwe eeuw

met onrecht, dat Vlaamse boeken wou blijven boeien.


Krijg ik een sleutel van de kapel? Stop 'm in mijn frak

met communistisch rood. Zal me stoutmoedig outen

in de oude storm waarin de voorstad groeide.

Een overdosis woord. Voor Gods onvindbare zin.