vrijdag 6 januari 2012

Stèle voor Louis-Paul Boon, honderd.

Stiltes staan hier in slagorde, als broers

die ik fotografeer in de studio van het verleden.

Rustig is deze afdeling van mijn gedicht

waar stemmen zich verheimelijken in gebeden.


Ik loop door de fabrieksstad waar het altijd regent.

Ik zoek een boom, zwart onder woordendruppels,

tranen voor het edel paard met moed in de ogen,

grijze lila zachtheid die Boon met chaos zegent.


Hier zwijgt een krassende pen, ambitieus-brutaal

als de zon die zich komt moeien. Een voet. Trapt

in de plas die ik ben. Als Reinaert in een nieuwe eeuw

met onrecht, dat Vlaamse boeken wou blijven boeien.


Krijg ik een sleutel van de kapel? Stop 'm in mijn frak

met communistisch rood. Zal me stoutmoedig outen

in de oude storm waarin de voorstad groeide.

Een overdosis woord. Voor Gods onvindbare zin.