zondag 20 mei 2012

Geloof en vernieling

Ik tel in eenzaamheid af
naar God en zijn hell’s angel escorts.
Ze rijden in een gestolen auto
door mijn ingeslapen ziel. Ze ontvreemden verzen
vol wijn en liefde: anacreontische waan
uit een andere eeuw.


Alles wordt vernield waarin ik geloof.


Het stof daalt neer en de lege feniks herrijst.
Er klinkt een klaagzang door de oude bomen
van mijn geluk. Daar ben ik mezelf, in die zang.
Daar blijf ik hunkeren naar het eindeloos uitstel
van een vergeefse terugkeer.

vrijdag 18 mei 2012

Ik zit te zonnen


Ik zit te zonnen in de hoge, onbewolke zomer 
van het woord. Straks zullen de emoties bloeien:
liefde in trillende eenvoud, overal om me heen.
Bedwelmd loop ik onder geurige bogen
van illusies die zich praalziek moeien.

Ook taal is verkapte onmacht, zomers bestaan.
Klinkers zingen met mijn twijfels mee,
als rozen naast een modderige oprijlaan. 
Toch waak ik hondstrouw bij dit lieflijk oord,
vereeuwig een kasteel dat ik stil beween.

zondag 13 mei 2012

Neighbours

Er is iets mis met de basiskleuren
van de televisie bij de Buren.
Ze dansen omhoog als vlammen
in een roes van rauwe flamenco.
Slogans en kreten die elkaar opzoeken,
onbewogen, achter zacht gefumeerd glas.

zaterdag 12 mei 2012

Nieuwe hoop



Ik drink mijn koffie in het café van de wanhoop.
Er is niemand om de melk aan te reiken.

Toch komt een boodschap naar me toe. Dat ik niet 
op liefde hoef te wachten, maar er nu meteen
op afgaan moet: zo'n aforisme aan de binnenkant
van het kopje, verborgen in de cafeïne. 

Mijn ogen monsteren de prikkelende woorden, 
nu bloot, in zieltogende ernst, alsof de revanche  
slechts een kwestie van lang genoeg staren is...
Het moet een hemels wezen zijn dat op mij wacht.

Daar staat hij dan: vlak voor me. Genageld 
aan de grond. Nieuwe hoop na mijn laatste slokje.

vrijdag 4 mei 2012

Engelberg, jaren later


Een gedicht is vloeibaar. 
Je zit bij de bergstroom,
tussen piekende onverschilligheden.
Je zit bij het heldere water van de tijd,
doezelend bij brullend verval
dat je herinnering verdooft.

Een bron is er wel -- een dageraad 
daar ergens in de schaduwrijke hoogte,
net onder de schuivende sneeuw, 
maar woorden komen pas laat, veel later,
wanneer de boeren huiswaarts keren,
om rustig een nacht te laten intreden

en jij dan vaststelt, onder de eerste sterren
die je wereld daarboven kleiner maken,
onder het ooft dat doorbuigt in je taal, 
gewist nu in de remming van het zien,
dat je een vis bent, spartelend in het water
dat straks een slaperig dorp passeert.

woensdag 2 mei 2012

stralend afwezig
in jouw dromen
lig ik
wakker naast mezelf --
een ersatz voor wanhoop:
angst
voor de liefdes die komen

je bent er niet --
niet in woorden --
niet voor mij --
ik vind je niet
in deze verzen
die illusies weer stijlvol
vermoorden

zwak aanwezig
in mijn bestaan
kantel je
van wens naar excuus --
een uitstel voor vreugde:
zon
in de mist van mijn waan