zaterdag 30 juni 2012

Twyfelfontein met White Lady



Ergens landen. En naar de stoel naast me kijken. 
Dit leven zoekt een reisgezel, de getuige 
van mijn daden. Een vriend, in andere tijden.

Welkom in het buitenland, regent het in sms'jes. 
Rijke provider. Hij komt te laat nu ik in armoede 
de ijdele platitudes van gisteren verdrijf. 

Daar -- drieduizend kilometer onverharde wegen. 
Hier -- zesduizend jaar geleden in rots gegrift: 
bulten, putten, oryxen en kudu's uit het niets, 

moeizaam vereeuwigd in streelbare petroglyfen. 
Zo gedempt is de geest van mijn dode bosjesman. 
White lady zei dat ze voor mij de rest zou doen 

van zodra hij terugkeerde. Ik, de slechte leerling, 
gevangen in haar liefde, bespied, tussen blokken 
rozebruine tijd, woorden die me zijn ontgaan. 

In de armoede van genadeloze zon plaagt felle wind 
het rusteloze zand. Zebra's, leeuwen, struisvogels, 
ook zij uit het niets, onder die loupe van verlangen.

Voorzichtig tijden achter me laten, 
fluistert de bosjesman, 
er is brokkelend gesteente dat wil praten.

Af en toe werkt de bron. Twyfelfontein van kansen. 
Vandaag schrijf ik, traag, langs vage resten 
van een vermoeden. Dat ik steeds 

opnieuw beginnen moet. Opdat mijn reisdroom 
in vervulling gaat. Morgen zal ik in de zandwangen 
van White Lady mijn eerste zoentjes planten. 

Leg uit wat ik gemist heb tijdens je vlucht 
door haar geest vol avontuur, vraag ik de bosjesman. 
Blijf bij me, graveer voor mij het onvergankelijk verhaal 

dat zacht zingen wil in de wind. Slechts zingen. 
In en achter en onder je rotsen, alles wat we zijn: 
een landkaart van mijn onherbergzaam dichten. 

Neem me bij de hand, sluit ik, reis met mij
en alle woorden die je kan lezen, van de ene steen 
naar de andere, daar ergens duizend jaar geleden.