zaterdag 29 december 2012

Omdat ik me jou herinneren zou
wanneer ik niet meer van deze wereld ben,
mag ik je één keer weerzien
nu ik nog leef?

Mag ik als de razende wind
nog één keer tegen je rots beuken,
bulderen als deze golven van emotie
die mijn ego verbrijzelen?

Opdat ik me jou herinneren zou
mag ik hopen dat je mij zal lezen
en weer sluiten als een boek
dat jou als lezer nodig had? 

donderdag 27 december 2012



Er staan sterren boven ons stal- en kribbeplezier.
Zie ze schateren tussen mijn verzen, terwijl ze toekijken
naar dit eenzaam spektakel waarover we liever zwijgen.

Endorfines?
Vergeten goden zijn het,
idealen in afgewassen jeans.

Ze blaken van verlegenheid, die schitterende druppels
verdriet in een bed beslapen met ongehoorde woorden,
zuchten onder de stilte waar taal in overvloeit.

Morfinemoleculen?
Falende gevoelens bewonen ze,
ondergang in vochtige warmte.

Ze rillen zachtjes als besneeuwde bomen in de winter,
hoog boven elke aanraking, elke twijfel, elke angst
die een dode moeder toestopt met haar glimlach. 

Signaalstoffen?
Dolende meiden zoeken ons,
hoge hakken in brak water.

Ik begluur hen in de aanhef van een bedelbrief
om liefde die niemand kan lezen. Ze wijzen ons de weg
en blijven ons trouw. Hoe graag we ook verdwalen.

Neurotransmitters?
We vallen in hun armen, 
ze zoenen ons tot leven.

zaterdag 22 december 2012

Nacht


eerst hangen ze rond mijn bed
koel als sproeiers op zomers gras
dan komen ze roerloos tegen me aan
als grote zachte borstels
werkloos in de winter

het zijn de liefdes
met hun zoetgevooisde stem
die het right here, right now willen
dociel zoals een auto in de wasstraat
zoals de maan die zacht voorbij schuift

in de nacht

zaterdag 15 december 2012



Laten we terugkeren naar huis, zei je.
Wind kreunde onder een taboe van niet-kijken.

Het was een verschrikking van taal,
maar ik weigerde Liefde Dood te noemen.

En ik liep naast je,
in een huivering van woordeloos.

Ik hoorde de donder die naast een triest licht viel,
altijd te laat komt. Van Nu een Toen maakt.

Het regende hard. Ik wou geen plu om te vergeten
waar ik was. Met mijn hart

dat stottert van verdriet wanneer je verdwijnt,
als een verleden in de toekomstnevel.

vrijdag 7 december 2012

Ik voel een kentering in mijn omgang met jou
en de raadsels die toeteren in je bestaan.

De vraag voor mijn schamele liefde is niet langer
wat ik nodig heb om haar leegte aan te kleden,
maar wel omgekeerd: wat overtollig wordt
in een koers die ik voor mezelf uitteken
om in de buurt te komen van wat jij verdient.

Waar wacht het sober leven van dienstbaarheid?
Hoe maak ik mij zo min mogelijk afhankelijk
van de luxe die mijn eenzaamheid bedwelmt?
Allemaal om jou: hoe laat ik de afleiding 
van een bonzend hart zijn glamour verliezen?

Ik voelde een kentering in mijn speels gespartel
en geploeter in de ouderwetse rijkdom van taal.

maandag 3 december 2012

bevroren verlangen,
woud dat zwijgt,

ik zal stilte meebrengen voor jou
als je me niet meer vraagt waarom

ik een zitje wil in een open bark
zonder nu en toen. Daar zal ik,

wakend, als een maan bij het water,
verdroogde bloemen schikken,

een woord bewegen bij het gordijn
van de nachtwind, en bidden, vinger

op je mond, vlak voor de clusterbom
van een zoen onze laatste twijfels

verbrijzelt
in de lentevijver.