vrijdag 26 april 2013

Opdracht van Deus ex Machina: ontmoet een van je nooit eerder ontmoete facebook-vrienden, en schrijf daarover een verslag.


Frederik Styns, zei je, je spreekt het stijns uit, maar je schrijft styns, iemand van de archivalia heeft zich vast ooit vergist.
Dit was Gent, stad die leeft van kleine schuivers op de gammele bruggen over het voorspelbare. O ja, ik houd van Gent, zeker weten. En dan iets over multicultuur, onderstreept met een prachtige glimlach, trademark openhartige gezelligheid – Gent met een rode huiswijn erbij, beetje zurig, zoals de wind, de wind van de multiculturele zwenking. Niet aanraken, dat onderwerp. Het waait alweer weg.
We zaten buiten, de avond viel tussen de studenten op een terras dat uitkeek op de vaak verbouwde twintigste eeuw van Gent Sint-Pieters. Mooi toch, die strenge stenen klok die ons in het vizier krijgt. Een uurtje, kan dat? Kan een uurtje volstaan om dichtbij de essentie te komen van een onbekende? Hoekige klok, rode lampjes op de segmenten. Net Big Ben in Mrs. Dalloway.
Natuurlijk is dat mogelijk, maar niet op een snel kouder wordende lente-avond, zo gejat uit een roman van Virginia Woolf, met een klok die naar de volgende trein tikt. Zo naïef zijn we niet, jij noch ik. Toch maar proberen. De tijd begint te lopen. Nu al.
Er was iets met een viool die was achtergebleven in huis, een viool die lag te wachten op een cassette met Telemann-muziek, herinner ik me, meegebracht door papa van een rommelmarkt waar hij een prof uit Leiden had ontmoet. Schenk je zoon Telemann en hij zal de kernachtige bondigheid, de lapidaire schoonheid van goed gemaakte barok ontdekken, zoiets, een duidelijke vormentaal waarmee je stoute, rebelse dingen mag doen. Ik moest aan Bach denken. Denk aan Bach, zei je, alsof je mijn gedachten al raadde. Natuurlijk. Ik was in gedachten al heel lang bij Bach. Telemann een veelschrijver? Kom nou. Zou ik nooit durven denken, Frederik. Bach de allergrootste? Misschien. Maar in Bachs dagen was het Graupner. Oh, uhh, betaal jij of betaal ik? Lekkere wijn, niet?
Gun me het plezier, gun me jouw schimmige 18e eeuw. We maken er maar het beste van. Terwijl de zon langzaam ondergaat.
Je vertelde over de futiliteit van een ‘drang naar actualisering’. Drang. Drang naar herhaling, ja: die ‘drang naar actualisering’ keerde een paar keer terug, weet je dat? Samen met je glimlach. Geeft niet, dacht ik, ik wil ook liever het geheim bewaren dat als mist om oude uitvoeringspraktijken hangt. Hoe groot het koor was van Bach? Vraag het Joshua Rifkin. Of Ton Koopman. Wat denk jij ervan? Je vraagt het liever aan Philippe Herreweghe. De grote geniale Candide van de muziek. Maar we gingen toch niet kouten over muziek en fuga libera? Waarover dan wel?
Zo raken we nooit de essentie van wie we zijn. Zie de tijd ginds vluchten. Fuga, net wat je zegt.
Na twintig minuten heb je iets met kleur. Rode broek, herinner ik me. Blauwe polo. Blauwe steden rond het ronkende Weimar. Schillerhaus. Bauhaus. En dan Jena. Erfurt. Arnstadt. En wijken van Gent veelzijdig als een regenboog. Of ik het miljoenenkwartier ken. Met die patriottistisch klinkende straatnamen die niet bij je passen, al zie ik opeens kleurrijke vlaggen: Onafhankelijkheidslaan, Congreslaan, Vaderlandstraat en Krijgslaan.
Soms wil je uit de muziek weggaan. Voorgoed weg uit het miljoenenkwartier. Maar waarheen? Minuten zijn weer verstreken.
Ik denk dat ik het weet. Een half uur later.
Je wou naar Australië. Je vrouw is een barokfagottiste, openbaar je me wanneer twee jongens opstappen aan het tafeltje naast ons. Australisch. Verknocht met de natuur daar. Elk jaar goed voor een vlucht usque ad extremum terrae.
Muziek en Australië. Ze verklonteren onder je glimlach. En ik deel plots dat zonovergoten geluk met je, het lijkt wel recht uit een reclamefilmpje van Quantas bij ons op tafel beland. Rijd opnieuw in mijn auto door de rode outback, recht de woestijn in. Daar ginds, duizenden kilometer verder, ginds achter Gent-Sint-Pierters, ligt Darwin. De lege stad. Brede lanen. Zonder Schillerhaus. Alleen de herinnering aan een destructieve tornado. Lang voor je geboren wordt.
Nu kom ik heel dicht bij je. Diep in de vergeten tijd. Wanneer je zwijgt terwijl je samen met een jonge vrouw de melkweg observeert in Wilson’s Promontary. Australisch meest zuidelijke puntje. Ken je dat? Uhh nee, maar nu toch wel. Dankzij jou.
Oogverblindend mooie rotsformaties. En de glinsterende sterren in je ogen.

dinsdag 23 april 2013

Zonder titel


Aankomst in Antwerpen:
anjers veranderd in starre blikken. 
Een gevel die traag met me meeslentert
en de wind die op het terras
een ruïne van sterke koffie achterlaat.

Er liggen brieven klaar
die alles veel beter weten:
wat ik vergeten ben. En hoeveel dat kost.

Thuiskomen in de lopende tijd:
mijn gisteren een nevel van bloeiende jaren
toen ik nog dromen bevruchten kon.
Vandaag? Lauwe lente zonder aroma
met klontjes en koppen voor een late afwas.

vrijdag 12 april 2013

Die wrede ziekte van jou



Die wrede ziekte van jou: een marmeren trap
rond je glimlach. Ik ga uitstappen op de verdieping
waar kooi en trap tegelijk aankomen.

Ik ga een blik werpen door je raam,
esdoorns en wilgen zullen een schutting opfleuren
met schaterende graffiti. Alles wijst

op tedere ondergrond, stromen die geen kik geven
maar vloeien, als zweetdruppels in een mijn
die morgen gesloten wordt. 

Ik sluit de gordijnen. Hoor: trucks, suizende nacht, 
gemiste kansen, stoeiend in ons hoofd,
sjalen in de wind.

zaterdag 6 april 2013

Lente als een spoor


mijn gedichten zijn barokke schelpen
met een ruisende woordenvloed
van herinnering in de koude wind 

er is geen vers dat me bekoren kan
of het wordt opgetild als een zaadje
op het strand van een rul vermoeden,
zonneklaar in mijn verwaaiende liefde

ze heeft golven nodig om op te surfen,
kan niet glijden op een stilgevallen tijd
die zich terugtrekt bij ebbe met schijn

daarom dit spoor van voetstappen 
dat achterblijft, small steps for a man,
kleine maskers in het zand, en de maan
die altijd meer weet over het verzwijgen