zaterdag 30 november 2013

Zonder te weten


Door de gaten die ik hierboven probeer te dichten
met flarden van vermoeden en weergevonden brieven
wandelt daar beneden iemand naar duurzaam geluk.

Zullen er dokters in de zaal opstaan om te herinneren
aan de veerkracht van dit brein? Het zit allemaal
tussen de oren, meesmuilen ze schouderophalend:

je grammaticale hoofdpijn, je duizelende woorden 
of wankel op verliefde benen staan. Trager reageren
speelt iemand parten wanneer hij op grote afstand kijkt.

Ik zal hen vragen om mijn flexibel imago niet langer
op hoge en lage trappen te plaatsen van vergelijking.
Ik wil weten wie die jongen is die daar zo rustig loopt

zonder naar zijn toekomst te kijken in de sterren,
zonder wat heimwee te voelen van een late terugblik, 
zonder te weten dat hij, toen al, betrokken partij was.

dinsdag 19 november 2013

Ik open je brief


Ik open je brief, terughoudende verleiding, 
zoek de geschiedenis van mijn lichaam.
De ontvanger is een buik 
die ooit gestreeld werd:

mijn moeder, verstopte gêne 
toen ze nog zwanger was.
Ik lees mezelf in haar gespeelde onschuld
en sublimeer wat liefde tot een vleugje parfum 

op zoek naar jouw hals. Zie je, ik kringel 
mijn leven lang van aanbidding tot wals.
Waarom heb je jezelf gekweld 
met het beeld van de drager?

Woorden wiegen in de onrust
van een bestaan dat op komst is.
Uiteindelijk antwoordt de stilte 
met een traan die altijd meer zegt 

dan ik 
in mijn gesmoorde schreeuw
wanneer ik eenzaam ben
van slecht herkende vreugde.

vrijdag 8 november 2013

Zonder titel


Gezegend is hij die niet hoopt, lijkt de bijbel te verzwijgen.
Een idioot vloekte op straat, midden in de nacht. Ik dacht

dat er een wolkje voor de maan zou schuiven, maar 
de enige die reageerde was een hond, geblaf met zware regen

op een reiskoffer die iemand overdag had achtergelaten.
Ik wou vertrekken, eindelijk, naar de slaap, terwijl op de buis

de oude zeurcultuur nog achterbleef, in de eindeloze herhaling
van een talkshow die haast maakt met de revolutie van snel praten

over fluitende liefde in oude dagdromen. De bomen zwiepten
heen en weer, harde wind die bij het krieken van de dag

ging liggen, als koude regendruppels op mijn gloeiende wang.
Ik greep, zoals een kreeft, met scharen naar wat belletjes.