vrijdag 31 januari 2014



Onlangs, op een zwaarbewolkte zaterdag met drilboor
(drama in de lucht) dropte de bus me bij een poster
die, een zweempje te leutig, de toekomst aankondigde
van mijn Eilandje. Ik zag de pakhuizen, sluizen, bruggen, 
kranen, kromme ruggen en banen een voor een verzwinden.
Het was tijd om filosofisch te worden. Vlakbij het Houtdok
wou Antwerpen uitbreiden. Niet eenvoudig, dat nieuwe leven.

De donder rolde met zacht gebrom. Net een lepe hond
vlak voor hij blaffen gaat. Hijgend: een joggende dertiger
(sportjack, glazend vermiljoen) keek in de zwijgende tijd 
en vroeg me waar de Bombaystraat van zijn tante bleef.
Wist ik veel dat ze onlangs van de kaart was geveegd.
De haven schuift op, maar er komt nieuwbouw, zei ik,
met die troostende air van loodsen en werkhuizen.

Ik liep mee naar het einde van de Madrasstraat. Exotisch, 
de woorden die hier wachten: 'stevedoring' met wat roest.
Noeste dokwerkers uit het leger van een rijke opzichter.
Ze blijven aan wal. Pakken nerveus in en uit. En staren. 
De regen wou maar niet bedaren. Wee mij. Hoe kon ik
blijven waar ik was? Dus koos ik voor droge verbeelding.
Kom mee met mij, zei ik tegen de argeloze vreemdeling,

kom naar Raphaël en zijn Bacchus, daar gaan we kouten
over schoonheid die we niet verwerkt krijgen, jij en ik,
met onze stukgelopen liefdes. Het MAS, de Red Star Line,
een haven met haar slimme hoertjes die zwijgen als goud. 
We gooien de tijd door glazen, maar zetten onze klok gelijk
op de diepe toeters die in de verte het Eilandje doen trillen. 
Kijk: weer een Flandria glijdt hautain de Londenbrug voorbij.

vrijdag 17 januari 2014

Plaats geen punt


Hoeveel pijn het doet om toe te geven 
dat je de liefde uit het oog verliest. 
Een kwellende zenuw van zelfvoldaanheid 
wordt blootgelegd. Ja, je liet wat brieven 
onbeantwoord, alsof het om de post 
van een derde ging.

Wie laat wie vallen? Laat deze woorden 
iets luider klinken, het is nooit 
een triviale vraag. En onderbreek jezelf 
corrigerend. Neem met een glimlach 
wat gewicht af van je woorden. 
En kijk begripvol in de spiegel. 
Plaats geen punt, maar een kommapunt; 
veel zin is er niet over.

Van zodra de liefde vraagt of je verliefd bent, 
reageer met een tegenzin die weggeduwd wordt 
door eigen nieuwsgierigheid. En zeg meteen... 
maar hoor je stem dan stokken. Het is een trilling 
die je verraden heeft. 

Word een regisseur van dit gesprek, 
en stuur aan op een nieuwe take. 
Besef dan dat het al te laat is. 
Hap even naar adem, 
bang dat je woorden ontspoord zijn. 
En voel je als een prooi 
die iemand bij de keel heeft, en ervan geniet. 

Een oog zal stil naar je toe bewegen, 
en dan naar boven, naar de nachtelijke hemel 
met haar giechelende sterren. 
Als om de afstand te suggereren 
van luttele lichtjaren.

dinsdag 14 januari 2014

Wakker



Een oude wekker tikt tot bij het eerste licht.
Regen buiten. Vers bloed bij heldere hartslag.
Nieuwe moed op versleten kussen en matras.
Vlakbij: bemoeizucht van een liefde die ooit was.
Beneden wacht een mes op het zachte brood.
Een spray van woorden strijkt de wereld dicht.

woensdag 8 januari 2014

Kom maar binnen


Kom maar binnen, zeg ik tegen mezelf. Storm het ongeluk tegemoet. Verlies je als een straatmuzikant in de metro. En speel wat dromen.

Broze harten brekende melodie van de gewoonte. Valse start voor een vermoeide man, monddood in zijn veel te grote wereld. Waar hij altijd te laat komt.

Daar is de geur van gemis, een blik die afwezigheid veinst. En tussen flarden van vermoeden, stations aangekondigd met de rust van een rouwtelegram. 

Kom maar binnen, sluipende dageraad, zonder me te storen. Ik bloos nog na als de nacht, wit van haar dauw. Ik schaam me als een klein juweel dat iemands bankrekening gaat leeghalen.

En begin de dag, koerend als een duif die op San Marco zijn reizigers ontdekt. Eet mijn brood op de plank. Midden in de lichtende fantasie van Maalbeek.