woensdag 8 januari 2014

Kom maar binnen


Kom maar binnen, zeg ik tegen mezelf. Storm het ongeluk tegemoet. Verlies je als een straatmuzikant in de metro. En speel wat dromen.

Broze harten brekende melodie van de gewoonte. Valse start voor een vermoeide man, monddood in zijn veel te grote wereld. Waar hij altijd te laat komt.

Daar is de geur van gemis, een blik die afwezigheid veinst. En tussen flarden van vermoeden, stations aangekondigd met de rust van een rouwtelegram. 

Kom maar binnen, sluipende dageraad, zonder me te storen. Ik bloos nog na als de nacht, wit van haar dauw. Ik schaam me als een klein juweel dat iemands bankrekening gaat leeghalen.

En begin de dag, koerend als een duif die op San Marco zijn reizigers ontdekt. Eet mijn brood op de plank. Midden in de lichtende fantasie van Maalbeek.