zondag 29 juni 2014


De schimmen van onze dromen benaderen we
met een belofte, te gek voor mooie woorden.
Toch schrijven we een liefdesbrief, in fraaie taal.

Nooit gaat het over de echte rol van onze angst,
over een gewijde stilte die stiekem verdween. 
Toch glimlachen we als een steward in de lucht.

In de lege lounge beneden ligt een beduimeld boek 
dat ons nodig heeft. Iemand zal veel tijd moorden
om te zeggen wat het betekent. In lyrisch verlangen.

We reizen als ingeslapen passagiers op een vlucht
en vergeten dat we zijn neergestort diep in onszelf.
Dan worden we wakker, in koele aandacht -- alleen.

maandag 23 juni 2014

Wat het beeld vertelde



Dat ik mijn leven moet veranderen
is me vaker verteld door een beeld.
Ik zag het tollen voor mijn ogen
terwijl ik vrijde in het gras, lang voor ik
het sluw gespeelde spel doorgrondde
van woorden leren stilstaan in de tijd.

Een explosie was nakend. Flauw aftreksel
van eeuwige belofte met gesloten ogen,
uitgegleden emotie onder een hautaine blik.
Rodin liet zijn brons - onstuimig lava - stollen
in de dreigende pij van Balzac. Ik? gaf geen kick
in mijn sabotage met ijskoude bewondering.

Ik veranderde mijn leven, stond op en lanceerde
het nieuwtje dat ik de vrek ontdekt had in mezelf.
Ik zou hem mores leren, liet alle remmen los
en werd een gloeiende stroom: taal op weg
naar de vallei van het verleden, waar gedichten
nog nabranden. Gulle kracht die warmte geeft. 

De caldera wordt koud, een hele generatie
wacht op weer een nieuw titanenwerk. Er roest
een goddelijke komedie onder die pij - realisme
in het diepst van Balzacs gedachten, mijn hel
die ik nooit heb willen zien. Ik verbeter proeven
die een feestende eeuw tot wanhoop drijft.
























donderdag 5 juni 2014

VOOR FRANS EN JEROEN FRANCKEN



In de lege meimorgen / op een slappe koord van tijd lopen,

van stukke plu's naar lege colablikjes. / Altijd onderweg

naar jofele hersenschimmen: / ze gedijen aan de kassa

van het oude Rubenshuis. / Maar eeuwen / kun je niet kopen.



In een bewasemde droom / kaarsjes van verlangen uitzetten,

tussen gebroken beelden, / zoals Maerten de Vos dan doet,

en struinen / door het maniëristisch bos / van Abraham Govaerts,

als een kind / langs de Schelde die trilt onder een vuige wind.



Passie door de tijd zien vliegen / vloed van inspiratie / goudvernis

van kostbare herinnering. / Verdwaalde verre vriend omhelzen

en vragen hoe hij heet. / Jeroen.  / Je moet dit feest van mooie lijnen

als een liefde dempen.  / Op zoek gaan / in het hart van de Kempen.



Blik naar boven. Naar puien en façades / waarachter spoken wonen.

Ze klinken in de tonen van een eenzaamheid / die ik voorzichtig opdien.        

Geheimen oplossen in een hoerenbed. / Daar ergens in de oude ruien.

Helaas. / Er staan geen huizen meer, Jeroen, die jij nog hebt gezien.



Iemand vertelde dat je van Herentals naar Antwerpen bent verhuisd.

Dat je in de leer ging bij Frans Floris. / En Floris werd je vriend,

stuurde je naar Parijs / waar tijd niet goed kan helen. / Arme Jeroen,

je werd verguisd / en moest ook nog valet de chambre spelen.



Hoe hielden de eeuwen zich overeind / met hun afglans

van dronken verlangen / terwijl ze je talent misbruikten?

Die duivelsdans... / ik schaam me voor de kleine vernedering

die je een leven lang voor lief moest nemen.



Eindelijk word je, dankzij je doeken, tot de adelstand verheven.

Mijn kaarsjes van hier naar jou / zie ze vloeken en flikkeren

en gniffelen / van pure vreugde en trots. / Alles in hun licht is waar:

je bent een knappe man / zoals vrienden dan zeggen over elkaar.



Gisteren was ik er zeker van / dat ik je gezien had in de lobby

van het Keyzer hotel. / Maar toen ik naar de receptioniste liep,

met de hautaine Amerikaanse air van Lillian Hellman,

waarvan niemand ooit weet waar die vandaan komt,



toen bleek er nooit een Jeroen Francken te hebben geslapen

in haar hotel. / Dat je alweer verdwenen was naar een plek

in de buurt, zei ze. / Men vermoedde je broer. / Of ik hem kende.

Je was vertrokken / naar een mieters nergens. / Zo geil klonk het



in haar stem. / Haar wereld zien slaapwandelen / door armoede

en overbodige inkopen, daarbuiten. / Jou naar mij zien staren.

Ik ken je niet, Frans. / Jeroen heeft geruchten verteld over jou.

En ik hoor stokoude kerkklokken stoeien / in de wind. / In de kou.



Vermoeden: / bij Frans Floris heb je Michelangelo leren kennen.

En Rafaël. / En heel de klassieke oudheid. / Toch ben je nooit

een zuivere italianist geworden. / Ik zoen je met dit compliment:

jij bent verder gegaan dan alle andere. / Ook verder dan Jeroen.



Voorbij zien gaan / de plaag, / met teutoonse logheid,

van Antwerpse kleinburgers / die je dromen bevolken.

Ze plunderen hun kansen / in een melodie die zoek was.

Oude klaagzang / die de stroom van je hart deed kolken.



Je sterke en zwakke plekken, Frans, / ze werden de sleutel

van je succes. / Lachende kaarsen. / In hun onhebbelijke stilte

verlies ik de weg naar Hans Ruckers. / Hier vlakbij. / Koud zwijgen

tegen de onbekende naast je. / Laarzen met nauwe schacht.



Pas gestemde steert. / Sublieme resonantie, / zindering

die je eigen klavecimbel moedig suggereert. / Noten als

dansende vleermuizen, / hells angels, / bloedende tederheid

van een blik. / Antwerpen is gevallen, Frans, net zoals ik. / Voor jou.



Bach de ruimte inspelen / aan boord van een verdwaalde Sojoez.

Je bent niet dood. Je lééft. In boeken. / Je bent een ster. Eeuwig.

Je doeken zijn doordesemd van stralend hiernamaals. / Zie:

het middernachtelijk zonlicht van zoveel fantasie. / Rond jou.



Ik wil je plannen delen. / Verstoppertje spelen, / tussen je kartons

voor tapijten en glasramen / en doeken voor blijde intredes.

Daar kun je rijzen / in een meesterwerk hoog boven het altaar,

enkel voor een pijnlijke nek. / Onder gulle, zachte krullen.



Ik volg je. / Tussen mokken en bekers, zoutvaten en schalen,

in een hangende kamer aan de straatzijde. / Tussen portretten

van Jan van Eyck, Joos van Cleve en Quinten Metsijs,

tussen zoveel wondermooie kunst... / die tijdloos is gebleven.



Werkwoorden veranderen van koers. / Illusies glijden voorbij. /

Ongure kerels janken op hun blinkende Harley-Davidson,

/ maar trots blijf jij jezelf, boven je gesteven molensteenkraag.

Ik schenk je mijn tropen; / jij doet me teken om mee te lopen.