woensdag 3 september 2014


Het goud op roerloze muren en daken, 
chartreusekleurig licht tussen pasklare woorden, 
wordt omzichtig gehanteerd door een hand 
die ik niet ken: Gezicht op Antwerpen, 
zou Vermeer het noemen, dat spel van trapgevels  
met wijd en zijd verlangen uit gesignaleerde eeuwen 
om het beste muurtje op te eisen, daar ginds 
tussen de gesloten luifels. 

Mijn blik is een gebed in de stilte, in de hemel 
lees ik een luchtpostbrief uit het hiernamaals. 
Ik schilder de dood van een flinterdunne zomer 
met laat-oranje schoorstenen en silhouetten 
die de vroege duisternis achter zich aanzeulen. 
Dan kijk ik hen na alsof ze mopperen over morgen, 
de plek in mijn geheugen die ze niet gaan vinden, 
de nonchalance van een zacht penseel 

dat wollige lichamen van lapis lazuli uitsmeert 
over vale dromen die drijven in een geurige haven. 
Ik zie hen verdwijnen, boten met de hoogmoed  
van een verre cruise die een week lang duurt, 
dwaze bladeren van bomen nog zonder herfst. 
De dag is om. Achterblijven zal ik met een handrug 
vol sproeten en horoscoop, en stil mijn ezel verlaten, 
waar alles als een verse melkweg wordt bewaard.