donderdag 26 maart 2015

Felix en Fanny


Gisteren zag ik Mendelssohn
in mijn kinderdagen vol ambigue maten
lonken als een onopgemaakte kamer 
van toekomst. Felix timmerde 
zijn plannen: stevige planken 
voor een boor en hamer van inkt.

Tussen de strijkers lag het gouden horloge 
van Moses, stilgevallen angst om het niets. 
Dat hij vergeten zou worden, terwijl zijn tijd 
al afscheid had genomen. Filosofie
onder sokken en een broek. Geurige mix 
die vroeger mee naar school mocht.

Ik zag beertjes zonder getrommel. 
Lieder ohne Worte. Nat staarden ze 
naar de wissende nacht. Slapeloze sterren
die hun falende batterij vermoeiden. 
En Fanny, in dit circuit, het wonderkind
van een gevaarlijk racend hart. 

vrijdag 20 maart 2015

Striptease



Ik stond op het dak van de VRT
te luisteren naar Bach. Dat alleen al
was bevreemdend: meestal is hij het
die gauw hoogte neemt. 

Ik zweefde in de wolken, en Bach
haperde wat, elf verdiepingen lager.
Niet nu, dacht ik, niet nu verdwijnen
zoals de zon, er is nog zoveel toeval

dat in beeld en woord wil schijnen. 
Toen klonk hij stiller in mijn oor,
als nooit voorheen: der Tag ist hin,
die Sonne geht nieder. 

Tien seconden, zei de technicus, 
en ik telde rustig af naar mijn sprong 
in de nieuwe diepte. Ik zei iets 
dat de nevels deed wijken
en de maan wat verder opschuiven
naar het midden van mijn hoop.

Ik mocht niet kijken, zei de zon.
Al stond ze achter haar kamerscherm
een gouden beehaatje weg te gooien. 
De jongen in mij werd wulps, ik wou
het zwerk om tijdelijke liefde schooien.

Het was niet nodig: er vloog een kraai
door de ether, en Vlaanderen begreep
dat ik op zoek was naar een andere term.

vrijdag 13 maart 2015

Komen eten


Mijn oog viel op een décolleté 
en is erin weggezonken, 
als een roderoze zon
die zich schamen moet 
voor de ouder wordende dag.

Ik houd zachtjes de zalm onder, 
voor hij moegetergd opspringt uit mijn bord, 
terwijl ik met lust een vlezige citroen leegpers 
zonder angst voor de zure blikken 
van haar gespeeld-lome minnaar.

Een broche is de laagste ster van deze show 
met vulkanen die het ijs doen smelten: 
in dit verleidend noorderlicht 
overleven geladen deeltjes 
van ingeslapen meisjesdromen.

Dan komt een ober, de fiere jongen 
met zijn eclips van mooie namen 
die het gaan waarmaken op haar bord, 
terwijl mijn vis het voor bekeken houdt 
en ik een glas hef bij dit maanlicht 

op mijn stille oceanen zonder toekomst.

maandag 2 maart 2015

Rusthuis



Het regent.
Ik bel aan. 
Er schuifelt iets.
Het is een vrouw, heel oud, 
te verlegen om te vragen 
wie ik ben.
En dan weer niet. Van goud.

'Kom binnen'. 
Ik durf niet te inspecteren
of ze me mogen, de verdoemden 
achter haar schouders: getuigen 
van een tijd, minzaam als veder,
die zware seconden achterhoudt
tussen de gewelven van broze bogen.

Vandaag zit veerkracht op het zwijgen
in de gangen, met hun galm 
van hippe dochters op bleke benen
en goddelijke heerszucht aan het kruis
dat neerkijkt op rijdende bedden.
Ze zoeken vergeefs hun kamer.
Iets wacht er. Die vertrouwde walm.

Alle blikken in dit rusthuis zijn verstild.
Zelfs op de lente wordt gewacht
met toegeknepen ogen.
Een juk van roekeloze herinnering
is het zilveren kader rond foto's 
die niet meer aanspreken. Ongewild
zitten ze op een rij van mededogen.

Ik sta bij je deur, je blik opent me
met een verlangen naar vroeger.
Je welkom klinkt als een ballade
van bevende handen. Ik tril mee: 
een verpleegster wil weten waarom
ik gekomen ben. Het is al bedtijd
voor wie het antwoord kwijt is.

Stilte wordt dagelijks gereanimeerd
tot aan je dood die in een taxi wacht. 
Ik herken ze niet, maar weet zeker
dat het de wagen is van vorige keer.
Veel is er niet nodig. Dat we nog leven.
En dat jij er nog bent. En betalen zal.
En ik bij jou. Tot aan het einde van de rit.