maandag 2 maart 2015

Rusthuis



Het regent.
Ik bel aan. 
Er schuifelt iets.
Het is een vrouw, heel oud, 
te verlegen om te vragen 
wie ik ben.
En dan weer niet. Van goud.

'Kom binnen'. 
Ik durf niet te inspecteren
of ze me mogen, de verdoemden 
achter haar schouders: getuigen 
van een tijd, minzaam als veder,
die zware seconden achterhoudt
tussen de gewelven van broze bogen.

Vandaag zit veerkracht op het zwijgen
in de gangen, met hun galm 
van hippe dochters op bleke benen
en goddelijke heerszucht aan het kruis
dat neerkijkt op rijdende bedden.
Ze zoeken vergeefs hun kamer.
Iets wacht er. Die vertrouwde walm.

Alle blikken in dit rusthuis zijn verstild.
Zelfs op de lente wordt gewacht
met toegeknepen ogen.
Een juk van roekeloze herinnering
is het zilveren kader rond foto's 
die niet meer aanspreken. Ongewild
zitten ze op een rij van mededogen.

Ik sta bij je deur, je blik opent me
met een verlangen naar vroeger.
Je welkom klinkt als een ballade
van bevende handen. Ik tril mee: 
een verpleegster wil weten waarom
ik gekomen ben. Het is al bedtijd
voor wie het antwoord kwijt is.

Stilte wordt dagelijks gereanimeerd
tot aan je dood die in een taxi wacht. 
Ik herken ze niet, maar weet zeker
dat het de wagen is van vorige keer.
Veel is er niet nodig. Dat we nog leven.
En dat jij er nog bent. En betalen zal.
En ik bij jou. Tot aan het einde van de rit.