maandag 28 september 2015

Guus Bauer over 'Bidden om verboden vruchten" (uitg. vrijdag)


Bart Stouten (1956) is al jaren een van leidende stemmen bij de Vlaamse klassieke zender Klara. Maar zijn zachtmoedige, welhaast zalvende stem, drukt ook een zeker lijden aan het leven uit, precies klein genoeg om toch vertroosting te bieden. Een onderhuidse snik. Stouten is bovenal een schrijver, een poëet, een leven lang veroordeeld tot de zoektocht naar zingeving. Zelfopgelegd, zoals het een fijnzinnig persoon betaamt. Middels muziek, dat spreekt voor zich, maar ook via verre reizen – zijn eilandenboek is van een bijna ongeëvenaarde sereniteit – en vooral ook via de taal probeert hij zijn plek in het universum te duiden. Zijn voorlaatste boek Kersen eten om middernacht werd gecategoriseerd als literaire non-fictie – hij slaagde erin om in dat boek zijn verleden, zijn muziek, zijn stilte en zijn taal samen te brengen – maar is net als het nu voorliggende Bidden om verboden vruchten eerder een coming of age-roman.
Het gaat om het vinden van een zekere balans in je leven en in je teksten. Ook in deze nieuweling is de taal van Stouten fijnzinnig, origineel en poëtisch. Hij schuwt zo nu en dan de wat langere zin niet. Een verademing na al het kortebaanwerk dat al jaren opgang vindt. Waar hij in zijn middernachtelijke kersenboek zich voornamelijk tussen de regels door blootgaf, is hij met de nieuwe roman explicieter. Waarschijnlijk onder de paraplu van het op het voorplat vermelde ‘roman’. Nu ja, het handelt niet voor niets over verboden vruchten!
De hoofdpersoon is zeventien en heet Kaius (naar de Romeinse rechtsgeleerde?) maar vanaf regel één is duidelijk dat hier opnieuw de wordingsgeschiedenis van de mens Stouten het onderwerp is. Kaius is (net als Stouten) een begaafd pianist maar wil even goed teksten schrijven. Hij heeft bij zichzelf een merkwaardig fenomeen vastgesteld. Wanneer hij een verhaal begint te vertellen, mondeling dan wel op papier, moet hij binnen een paar alinea’s aan muziek denken. In Bidden om verbonden vruchten heeft de muziek aparte hoofdstukken gekregen. Kaius die schrijft over zijn bezieling met de verschillende klassieke en modern-klassieke componisten en muziekstukken. Ze zorgen voor een draagvlak voor het ‘eigenlijke’ verhaal, bedden het in, maken de bevrijding van de gevoelens van Kaius mogelijk.
Hij zit namelijk ingeperst tussen twee geloven. Het socialisme van zijn vrijzinnige moeder en het ouderwetse katholicisme van zijn oma, trouwe kijker naar de zondagse televisiemis. Daarnaast ontluiken zijn hormonen en is het niet helemaal duidelijk wat zijn geaardheid nu is. Via een schoolgenootje, het bloedmooie danseresje Anna, leert hij haar kunstzinnige en, jawel, eveneens bloedmooie vriend André kennen. Iemand die een paar jaar ouder is en schildert. Zo nu en dan neemt hij het niet zo nauw met zijn kunst en aapt hij een paar iconen na. Een mooie extra inkomensbron voor de zoon van de leraar zedenleer (sic!).
Stouten laveert bekwaam tussen André, zijn vriend met de toepasselijke naam Duivel en het danseresje Anna. Ondertussen diept hij zijn eigen zoektocht naar een godsgevoel uit. Valt er niet een eigen mystieke beleving te distilleren uit de aangeboden mogelijkheden. De drang om de diepere schoonheid te verklaren. (De muziek van Bach, de teksten van Beckett, is dat niet de taal van God?) Kaius krijgt van zijn oma een (echte) icoon. Een kleinood dat hij overal mee naartoe neemt, een talisman die angstvallig voor zijn moeder verborgen moet blijven.
In tegenstelling tot zijn vorige roman gebruikt Stouten hier af en toe hedendaags Nederlands. Bullshit en zo. Amsterdamse woorden waarvan Kaius de betekenis niet kent, afkomstig van cassettebandjes die André heeft opgenomen van een Hollandse serie. ‘Een beuk voor je porem’, ‘de vreetmuur’ en dergelijke. Dat zorgt voor wat lucht in de tekst. De zinnen van Stouten zijn zonder uitzondering mooi, zuiver, origineel, maar door af en toe gas terug te nemen, weet de schrijver de balans te vinden, maakt daarmee zijn eigen woorden waar. We zijn zoveel meer dan de dwaze gedachten en gevoelens die ons hoofd en hart bestieren.
Tegelijkertijd weet Stouten de tijdsgeest van de vooruitstrevende mens in de dagen van zijn jeugd (en die van nu) goed te treffen:
‘Almaar talrijker werden ze in de jaren zestig en zeventig, de naakte zielloze livings met hun onderkoelde perfectie. Leegten waar elk object, vervuld van inhoudelijke belofte, zou storen. Geen boeken te bespeuren, geen bloemetje in de vaas, zelfs niet de minste suggestie van kleur. Alleen een megalomane sofa om de verveling in weg te slapen gapend naar wat tegenwoordig een hightech flatscreen is, maar vroeger nog een peperdure kleurentelevisie. De klok bevatte zelfs geen segmenten, bang dat ze de trage uren zou laten zien.’
Bidden om verboden vruchten is een zoektocht naar liefde, naar verzoening met de wereld. Stouten geeft de overbekende nostalgie van de jeugd een tint aanstekelijke zintuiglijkheid. Wonderen, reizen, overweldigende natuur, muziek, religie, poëzie, verstilling, sensualiteit en een jongmens dat lijdt onder astma, zijn eigen complexiteit en onder al dan niet latent blijvende talenten. En dan die ontluikende seksualiteit. Welke richting ga je op, word je opgedreven. (Ook de socialistische moeder stond in het geval van Kaius niet open voor een gesprek dienaangaande.) Het leven is in staat tot grote verrassingen, al dan niet in tijden van ontberingen. Stouten schuwt de zelfspot niet.
‘In zijn pogingen om beter overweg te kunnen met de kleine, onheilspellende kantjes van zijn karakter enerzijds en zijn stille betrachting om in vrede te leven met de inconsequente, niet altijd rechtschapen wereld waarin hij leefde anderzijds, stuitte hij voortdurend op de grenzen van alle communicatie tussen twee levende wezens.’
Langzaam ontvouwt zich het echte verhaal achter de vriendschappen, achter de liefdes. Anna dreigt ten onder te gaan aan een verslaving, de jongens blijken niet oprecht met kunst bezig te zijn, maar gebruiken hun gave om geld af te troggelen. Pas wanneer Kaius bij Anna die vrije val ziet, groeit ook zijn lichamelijke liefde voor haar. Zijn beschermingsmodus dient zich aan, natuurlijk ook een neurose. Stouten laat zijn personage gedurende de roman bekwaam zweven tussen het platonische en het lichamelijke. Deze roman is opnieuw een ode aan de ontluiking, aan de ware, onbenoembare liefde, aan de oprechte vriendschap, gepaard gaande met angsten en twijfels. Stouten gaat de verzeping van de wereld intelligent te lijf. Hij ontgint wederom bekwaam zijn leven. Hij, excuus Kaius, mag best een beetje te koop lopen met zijn eruditie. Er zijn al genoeg thema- en ideeënboeken en conformisten. Leve de idealisten!