dinsdag 22 december 2015


Mist was er, toen ik bij jou kwam, mist rolde mee 
naar binnen, zoals een liefde door de traagheid
die geen excuses zoekt om stil te vallen.

Ik dacht dat de symbolen nog zwegen, dat ze later
geuren zouden worden voor een platteland met zon
om een half uur lang te vrijen. Toen je zwijgen begon.

Je zinnen hadden het over vage depressies
en gebieden van hoge druk, je was een weerman
die mijn lichaam als een lege landkaart aanwees.

Mist was er, kil als theater zonder personages,
een stad zonder slaap, een doorweekte slip 
waarmee je per vergissing de verveling verdrijft.

Angst was er, maar ook wel, uitzaaiend na het barsten
van de leegte, druppels van een toekomst in je ogen
die rondzwom in een uithoek van je onwetendheid

zaterdag 19 december 2015



Wanneer de avond voorbij is, op de radio 
een weerman met verzopen wolkjes leurt
en de laatste lift mijn dronken liefde ontvangt

teistert de woede van verspilde tijd en libido
mijn lege tafel voor het raam: wie heeft gezeurd
en deze afleiding van gevulde glazen verlangd?

Het was een jongen die zijn roeping vergat 
en nu de slaap ontbeert die hij niet missen kan.
Er duikt een spook op van verveling zonder naam

die wakend doet alsof een nachtmerrie wordt gejat.
Het is wachten op de inspiratie van endorfines dan
om rake verzen te schrijven voor de gepaste blaam.

zaterdag 12 december 2015

Weet je nog


weet je nog -- 

de dag liep ten einde
en jij fietste voorop naar de morgen
als een flierefluiter die dauw en regen
met elkaar verwarde

de bloemen toonden hun roze tepel 
die dichter bracht wat ver weg lonkte
en wulpse bijen kwamen zoals jij
hun tijd verdoen in een bed zonder hemel

weet je nog hoe --

hoe de zon werd verdund met het water
van je toekomst die pronkte in het park
waar een jongen het gras kwam besproeien
maar jouw hart met kwistige pijn liet stoeien

weet je nog hoe je heerste --

je woedde als een steekvlam van zomer
die vlak voor het donker binnensloop
en beelden aan zijn laars lapte
langs de glijdende paden van Middelheim

een gedicht maakte van jou de dromer
die zijn weemoedige furies van wanhoop
liet heersen over de ontembare natuur
van smeltende gletsjers in je levensloop

weet je nog hoe je fietste --
en hoe alle beelden weggleden --

trap nu maar, als taal, of zwijg gevat  
en raak je eeuwige liefde niet aan
raap de tijdelijke bolster op 
waaruit een laatste vers openspat

vrijdag 4 december 2015



Ik weet niet waarom woorden zwijgen
wanneer ik te zeer naar ze verlang. 
Ze horen me als een trekpaard hijgen
op mijn akker, en dat maakt me bang.

Soms voelen ze er niets voor om te rijmen
en gooien lukraak een betekenis in mijn gezicht.
Ik verkruimel mijn grond, ploeg door geheimen
maar weet zeker: dit wordt nooit een gedicht.

Tot een vuurrode zon aan de horizon verschijnt
en mijn naam roept, in de gekende toonaard,
zo zangerig, als werd er muziek doorgeseind.
De voren worden notenbalk, een sleutel waard.

Ik luister en werk verder, het donker tegemoet.
Dromen lichten op, hun neon maakt me blind.
De wereld zingt haar begeren vol deemoed
en dat koelt mijn angst, maakt taal blij gezind.