woensdag 31 augustus 2016

Een engel is aangekomen in mijn straat.
Mijn ezel staat al klaar om alles te zien
wat de geschrokken stoep wil openbaren.
Ik loop als Jozef naar de overkant,
mensen staan te wachten op woorden.

Zal ik mijn uitgepakte verzen opdragen
aan een bijziende bange buurman, 
leraar berucht om zijn onbuigzaamheid
voor erfgenamen en nakomelingen.
Zie ze hoog opkijken naar hem,

naar een schedel badend in de weeë lucht 
van de schemer voor de eerste schoolbel,
een klas van kinderen voorbij de vakantie.
Hoe Meester in late zon een parkeergeschil
met moorddadig gebaar heeft opgelost

terwijl zijn vrouw naast hem, sliertig haar
doordrongen van bedeesde sterfelijkheid, 
met gegroefd gezicht tot stilte maant, 
alleen maar omdat er wordt uitgestapt
zoals Maria in Bethlehem, met hoofddoek

glijdend over een koperkleurig gelaat
boven haar baby waar Florentijnse schilders
een slimme jongen in zien, maar mijn buur
alweer een leerling die Cupido wil zijn.
Parkeren is hier verboden, geboren worden

mag het ukkie doen waar het zelf weer wil.
Als het in haar liefde is, vindt hij het goed. 
De stilte weet meer. Knikt als de Moeder
die dadelijk vertrekken gaat, naar een huis

tussen redding en ondergang: mijn gedicht.