maandag 7 november 2016

Er is altijd iets mis 
met zomerdagen. Ofwel 
verlangen ze mijn luiheid. 
Of hitte. Of plagen me 
met meeuwen en wind. Of ik vind 
dat ze te snel voorbij gaan. 
Vooral wanneer ze perfect zijn.

Winterdagen, echter, 
zijn een schot in de roos. 
Van de bloem blijft 
niets meer heel. 
Ze is geknakt, haar blaadjes 
zijn in de goot gegleden 
en waar eens een geur hing, 
heerst nu herinnering, 
verijdeld, aan hoop 
dat ons samenvallen duren zou. 
Onder de eerste sneeuw 
slapen de schimmen 
van de wereld. Daarboven
zweven de meeuwen.

Er is nooit iets mis 
met jou. 
Je bent volmaakt eeuwig, 
twinkelend in de nacht, 
zolang ik adem 
onder de blote hemel 
van mijn verbeelding. 
Je bent de wind van de kosmos 
die ik niet voel, koud als melk 
in de lente, een opengevallen 
bolster in de herfst. 
Waarop ik uitglijden zal.
Terwijl elders de meeuwen
om aandacht krijsen.

Je bent mijn ster, 
lichtjaren voorbij de woorden 
waarmee ik het moet doen, 
zonder ze ooit te lezen.
Omdat de getijden
hen weer wissen gaan.
Golf na golf 

van weerwerk door de stilte.