woensdag 3 mei 2017


Oude seizoenen gaan aan diggelen,
als tomaten die voor de bijl gaan 
wanneer de lentesla op tafel moet.

De dagen aarzelen om mee te volgen
nu de zon wat vroeger wakker wordt
en later naar bed wil, net een soebattend kind.

Mijn liefde weet waartoe een aarzeling leidt
en trekt zich terug, als groenten in het onderste vak
van de koelkast. Hij laat het kwijlen voor de hond.

Radio, heel zacht. In een ander seizoen,
waar bange jongens niet thuishoren,
worden polyfone madrigalen opnieuw getoonzet

en kletspraatjes eindigen aan de toog van grote dromen.
De borrelnootjes veranderen in olijven
en stukjes komkommer, gedrenkt in olie

waar altijd iets van achterblijft 
in de herinnering aan je handen.
Want die heb ik gevoeld in elk vers van mijn gedicht.