woensdag 28 juni 2017


Word rustig, pleinen
In de late lente na een doorgezakte winter
Van harde klank die de schijn ophoudt
Van een wereld in verzet 

Loop leeg, terreinen
Na een aanslag van decibels
Die mijn kijken in de weg staan
Naar verblindende renaissance

Blijf hupsch, flodderige bloemetjesrok
Die bij Brabo wervelt met mijn klierstof
En ruist als de wind op een wandelweg
Naar de herfst van mijn leven
Daar beven mijn herinneringen
Aan puberale reizen naar eeuwen die zwijgen
Aan fonteinen die liefdes averij uitzijgen
Onder de stille lantaarns waar vaal verlangen –

vrijdag 23 juni 2017

Ik ga me niet bezondigen aan huilebalkerij
in dit gedicht waarvoor je de tijd nam.
ik ga je danken dat je het deed, zonder zorgen,
en je meenemen naar het laatste straaltje zon.

Kom mee, de hoge grassen van gedachten
gaan liggen in het donker. Vergeet jezelf
in de stroming die je doet varen van vandaag
naar morgen. En blijf bij mij, wanneer ik in jou ben.

Glitter: de graalridders en magiërs van Wagner
musiceren op jouw vijver. Een zwaan trekt ons bootje
tot waar de maan het mooist is, rillend in mijn dromen
met jonge feeën. Wind door bloemen in Chinese inkt.

Slaap: daar bestijg ik jouw demonische krachten.
Alleen, aan de uiterste grens van de tonaliteit
ga ik leven in de zang van deze utopie. En zingend
ga ik je danken dat jij het was, niet ik, die weerklonk


in mijn muziek vol vreemde woorden, de stilte voorbij.

vrijdag 16 juni 2017


bij een ouderwetse muur van baksteen 
zingt een jonge vrouw haar slaapliedje 
onder een luifel in de regen 

in de regen lopen minnaars hand in hand
te zwijgen over het drijfzand van geluk
waarin ze verdwalen

in het verdwalen koesteren mijn lippen
een lichaam dat ik niet ken, een voorstad
met armoedige dromen

maar daar, bij die muur in de regen
waar ik een verloren gelopen kind zoen
diep in mezelf, weet ik wat het betekent

om het water van de bron de proeven
en gedachten te weven die aanvoelen
alsof het al wapperende banieren zijn

langs de meanderende stroom,
de nooit eindigende stroom

naar jou 

zondag 11 juni 2017


Het water slaapt in de buizen, 
af en toe bevestigt het zijn bestaan
met wat drijfhout van dromen.
Soms klikt er iets. Tussen ons alleen. 

Ik verzamel mijn botten en gewrichten
en draai me om in de routine
van schaamteloos vroeg opstaan
tussen ideeën die al stromen.

Straks word ik wakker, als een aardbei
gedrenkt in Griekse honing. Gisteren nog
zag ik meisjes de sirtaki dansen 
rond een bijna gehuwde vrijgezel.

Nu hoor ik mijn aderen begerig suizen
als een herkenningsmelodie op de radio
die een waterval van nootjes stort 
in het tropisch regenwoud van jouw hart.

Jij bent van mij. Ik van jou.
Als ik je radio mag zijn.
Je stem. En jij

mijn beeld.