dinsdag 26 september 2017

Je trilde als een madeliefje
dat te vroeg is opgestaan
in mijn late winter
van verdriet

benut de dag, zei je, 
maar ik liet ze liggen,
tussen hazelnoten
en verdorde bloemen

pluk de avond, lachte ik: 
over een stoel hing je T-shirt
met de naam 
van een nachtclub

stokstijf stond ik bij een vaas 
met overhangende geraniums
toen zette de zon je woning 
op de noen in lichterlaaie

later kwam regen zich moeien 
met de muf geurende stilte
van oude foto’s — opeens wilde je
gaan wandelen met mij

een ijzeren brug over het kanaal 
bood onderdak aan dakloze sterren 
onder mijn plu leerde ik je vasthouden 
in de knuffelsessie van mijn liefde 

het uitspansel speelde me parten 
striemend water viel op het lawaai 
van een verdwenen vallei — samen
ontdekten we waar meteorieten 

hun vrijheid voor ons jatten
en dat was goed, hoe laat het ook was
en niemand die het wist, niemand

om de regen te verjagen