vrijdag 21 december 2018


Ik zou op Kerstmis 
in mijn eentje, bij nacht en ontij
alle problemen voor je willen oplossen
als je me beloven kon
dat je geen sprookje zou voorlezen
bij het slapen gaan.

Ik zou een stille kracht willen zijn 
op je achtergrond, hoewel je daar nooit
iets over zeggen zou 
en nergens anders naar verlangen,
als je me dat beloven zou
vlak voor het slapen gaan.

Ik zou… ach ik zou hopen
dat je op Kerstmis niet weglopen zou
van je innerlijk leven, je bestaan
binnen de vier beschermende muren
van je geloof in mij,
zoals je dat een ander beloven zou

op de valreep van dezelfde slaap
die onze dromen doen wisselen
van beloftevolle eigenaar.

zaterdag 15 december 2018


Wil ik omhoog kijken, naar een vlieger 
die de hemel kleurt? Het is me 
een raadsel. Mijn ogen volgen niet meer. 
Ze zijn verblind door de zon van een einde. 
Ze dwalen in de diepte van een schaduw 

waar schurken een plan smeden 
tegen dit naïeve zelf dat woorden nodig heeft. 
Alsof stilte nooit volwassen werd.

Liefdes. Uitgeleefde trawanten 
met een boekentas vol gespijbelde uren. 
Soms tuimelen ze in het zand van mijn taal. 
Ook dode zielen blijven verantwoordelijk 
voor de blinde vlek van hun zonden.

De oude schoolbel doet me schrikken, 
decennia prutsen met goedkoop effect 
in dit visioen. Ik hoor te begrijpen 
waarom wijsheid in mijn hoofd 
op een plank staat waar ik niet bij kan. 

En wandel verder met mijn strakke stuurlijnen, 
klank van wind in de rug, letters op zak, 
vakantie als een schooldag die niet eindigen wil.

zaterdag 8 december 2018



Ik bracht uren door met
het donker, zoals gezien
door kaarslicht 
in de kleine kamer
waar mijn zorgen wonen.
De haven was er, de wind,
het raam met de suggestie 
van onderkoelde regen

en verder hoorde ik de stille roep 
van landen die ik nooit bezocht heb,
kale vlakten met rode papavers,
stille boeken die ik wilde schrijven.
Op een Russisch ikoontje 
stak Sint-Joris zijn draak neer
net toen ik een slokje water nam
om sneller in te slapen vannacht.

Eindelijk kwam de droom
waarop ik had gewacht.
Zacht zoeven van vrijheidsvleugels.
Witte krokussen voor een vroege lente,
nomadenhut met hout en vlammen, 
bewoond door oude wensen, flessen wijn,
de precaire uitzinnigheid van een fuifnummer
met een liefdesverhaal dat niet rond was.

Ik danste met schaduwen op krakend hout
en zag ze kleiner worden bij de deur,
waar een elleboog het licht doofde.
Het bloed van de draak sijpelde binnen, 
mijn toekomst vloog open. Ik werd verdreven 
door de kou van onbestaande teksten.
Daar: een briesend paard wachtte bij de kim.
Volharden! Dra zouden woorden dagen.

zondag 25 november 2018


vinger —
verlengde van verlangen —  
bemiddelaar, als een kaars, 
tussen neuronen en iconen —
nieuwsgierig
naar een vlammend verleden

mijn vinger — 
afdaling in het voorgeborchte
van onze toekomst — 
strekt zich uit naar het blauwe 
hinterland van jouw ogen —
daar begint onze dageraad  

vinger van een kind, omhoog
uit de schoot van zijn moeder — 
toont me de kronkelende weg 
van een onzichtbare hand — 
puzzel van lente in wording —
terwijl het bos nog winterslaapt

onze verstrengelde vingers —
zegenglimlach van lichamen,
woest en ruig — nu betast
door meeluisterende mist —
wandeling naar de winterverte
met haar sleutels van hoop

zaterdag 17 november 2018



Er bestaan twintig woorden 
om de superieure stilte te versmaden, 
maar vinden zal ik ze niet
zo lang een zin zich moeien komt
die wanorde wil verdrijven.

Soms komt een hint: in de revolte
van een wenkbrauw, de opstand 
in een zucht, het stille pleidooi
van lippen die bij elkaar te rade gaan.
Dan lijkt iets anders dan taal op komst

die scoort tegen het verwaande zwijgen   
van de vechtersbazen in mijn lichaam.
In dit bestaan valt niet samen te zweren
tegen de natuurramp van grillig lijden.
Ieder krijgt zijn deel, ieder valt uit de boot

van stilte die altijd maar doet 
alsof ze het laatste woord 
verdient.

zaterdag 10 november 2018


Zoals iemand die in het reine wil komen met een blinde vlek, gevangen in de dwalingen van zijn ontembare geest, blikt hij terug op de dagen van het geluk dat hem is overkomen, door een mist van tranen, op de stoep van een verlaten wandelstraat.

Hij zit in de verkeerde club van vrienden, zegt hij, hun aandacht is verdampt, ze stappen langzaam op, nu de gouden fontein van zijn relatie geen druppel meer geeft: het leven is weggespat, de plas verdroogd en de oude grapjes verbrokkelen als sierlijk stuc.

Maar ik wil bij hem blijven, in sfeerbeelden van een vergane wereld, Brabo wacht al om de hoek en op de markt, daar kun je wrokgevoelens wegspoelen zoveel je maar wil. Ach, zucht hij, was het maar zo eenvoudig, er zijn ook nog de achtergebleven kinderen. Kijk:

ze stoeien voor onze ogen, joelend en gierend, tussen de zeemonsters en zeemeerminnen, glibberig en gehaaid, terwijl vreemde jochies op hun schouders klimmen. Mensen zijn roofzuchtig. Hij heeft zijn hand overspeeld en moet de tol betalen, lees ik in zijn stilte, de houw van een reusachtig zwaard. 

Er is een toekomst die raad weet, verzeker ik hem, een schoon verdiep om te hertrouwen. Ik wil je getuige zijn, je bent een ware vriend. De kinderen volgen wel, het ijsje wenkt al in de Oude Koornmarkt. 

En daar zit je dan, 
een uurtje later, 
troost aan jezelf te verkopen 
voor een ongeluk 
aan de andere kant van de tafel.

zaterdag 27 oktober 2018


RADIOTHERAPIE

Van intimiteit naar anonimiteit. 
Van warme glimlach naar kille instructie.
Ziek zijn is gehoorzamen.
Ik ben een eenzaam voornaamwoord geworden.

Pulsar zwijgt. Zijn stilte brandt diep.
Slagschaduw van tijd, traag wentelend.
Schimmen springen uit het geheugen,
walsen rond mijn naakte lijf,

ontmoeten andere schimmen
die doen alsof ze vandaag geboren zijn,
in de schoot van een angst. 

Daar is de wereld weer. Met open ogen.
ik mag me weer aankleden, wens iedereen
de verkwikkende afleiding van het weekend.

zaterdag 13 oktober 2018


de wachtzaal is half leeg 
en uit de lege helft is zopas 
een vrouw vertrokken
die me haar leven heeft verteld.

duizend kleine gebaren:
ze sprak tegen me
alsof ze stond te oefenen
voor een lege klas, 
ik luisterde naar haar 
alsof het al speeltijd was 
in mijn hoofd.

slechts de bel ontbrak,
mijn naam over de intercom,
geneuzeld door een verpleger
die wil dat ik verander
in plaats van te blijven
wie ik ben.

was ik gekomen
om fouten te verbeteren
of te bedekken? in geen geval 
om iemand iets kwalijk te nemen,
op een vrijdag om half vijf,

zelfs mijn lichaam niet,
zei het stemmetje diep in mezelf
dat nooit meer veranderen zal,
ook al is er nu een ziekte
die het zo graag regisseren wil.

vrijdag 21 september 2018

— Late zomer. —
Er ligt een malse matras
op de vloer van mijn alleen-zijn, 
er wappert een geruite stofdoek
van gebezigde liefde aan mijn raam.

— Vroege avond. —
Dit is de plek waar verzen rijzen
en zweven als deeltjes in het licht
van een starende blik, een knik
verwijderd van de eerste slaap.

— Sluipend donker. —
Mijn bibliotheek is een boerderij
van schriften en schoolherinnering. 
Ik tel de ingekleurde vlinders
en schenk ze hun poederig leven.

— Gordijnen dicht. —
Kleiner wordt mijn verzamelwoede,
groter het verlangen naar beeld
en taal voor geurige bloemen.
De waarheid? Een geschikt boeket. 

— Droom met zaad. — 
De rechten die ik uitkies 
om mijn gelijk te halen
zijn die van de mens, 
wiens woord ontnomen werd.

— Eeuwig maanlicht. —
Toch ben ik een dichter
en zal je weervinden. 
Voorbij de liefde die wankelt
als een grafzerk met slakkensporen.


zaterdag 15 september 2018


Het is niet eenvoudig om te begrijpen
waarom de stad slaapt wanneer ik haar bemin.

De lege straten, dromend, laten hun rem los,
wanneer ik mee fiets naar de ochtend van straks, 
kille verwoesting van een universum, alleen voor mij.

Bij de grens tussen mezelf en het andere
piepen de banden van een oud verdriet.  

Het kijkt naar zichzelf in de glasdeur van mijn café,
boven de spuitverf van toegewijde verveling —
was het hier dat ik, fysiek lichaam bij de tapkast

van dronken toekomst, begon te flirten met een illusie?
Was het hier dat het rumoer in stilte veranderde

toen jij bij mij kwam staan, en me op de schouder klopte
alsof je de nacht zelf was die naar me toe kwam

om te vertellen dat het tijd werd om naar huis te gaan?

zaterdag 1 september 2018


(Gedicht geschreven voor Chantal de Waele, die vandaag afscheid neemt op Klara met Schuberts 'Schwanengesang'.)


Zacht smeken is jouw Schubert,
in geil maanlicht van tijd,
ijle zangen bij sensueel woord,
dagen van koud begeren
die alleen Heine nog kent.

Kom bij me, klank, beneden,
in het ruisende woud,
mijn verborgen liefdesoord, 
waar ik je schoonheid wil eren
met Rellstab in mijn armen.

Vlij je neer, nu het nog kan,
onder de ritselende kruinen
van herboren verlangen
en luister naar mijn verzen —
bazuinen in onderaardse gangen

Want alleen Seidl weet het best
dat je geborgen bent in kerkers
met zilverachtige muziek,
een trillende diepte
die alleen jij en ik gaan horen.


Ik moet nooit bang zijn voor een sigaret
wanneer ik mezelf voel wegdoezelen.
De enige beroezing die welterusten zegt
tegen de vemoeide wereld in mijn hoofd
is je stem, gehoord toen je me nodig had.

Het waren jaren met trage ademhaling.
Je zei dat je er was voor mij — en ik keek rond
om te ontdekken of er iets brandde in mijn hart.
Geen idee wat de rozen uitspookten in de tuin,
het raam stond open, de regen ruimde puin.

Als jij dat wil, zei ik, toen ik buitenkwam
om te harken in de nieuwe aarde, 
plant ik de boom van onze toekomst
die bij een vijver mag staan, hij rilt al
in dromen die er gisteren nog niet waren.

Nu val ik in slaap wanneer je oude woorden
als bezoekers uit mijn geheugen worden geleid.
Ik deed wat ik kon voor jou, en ook jij zag plots
dat alles wederkerig werd in de wind.
We zoenden elkaar, herfst werd bloesem

en ik had het juiste seizoen gekozen, 
de zon werd een rode vuurbol
die ik voor geen goud had willen missen,
laaiende passie die nu mijn ogen sluit.


dinsdag 21 augustus 2018

Ik wil inslapen wanneer de aarde
— niet eerder: mijn leven is een gaarde —
iets malser is geworden, de zee weer blauw
en de lucht wat minder grauw.
Ik wil stoeien onder de kersenbloesem
— jouw liefde dicht tegen mijn boezem —
wanneer ik wegduizel uit de oude tijd
waar Borgloon miljoenen blaadjes spreidt.
Niet voor alles weer fris geurt en bont kleurt
— ik, de hond die in regenweiden speurt —
wil ik de woorden schudden van mijn lijf,
zodat ik even nog denken kan: ik blijf.
Geef mij die groene wereld voor morgen
— ik wil mezelf bevrijden van mijn zorgen —
en laat de kinderen die dit zullen lezen
geen doodverloren toekomst vrezen.

maandag 13 augustus 2018


ik kan wel huilen
maar ik doe het niet

wanneer de bronskleurige glans
van de avond mij denken doet

aan de kooksessies van oma
op ons terras in Borgloon —

haar gouden jaren zestig
roken naar een terrasje 

aan het Gardameer 
met pasta à volonté

en een dolce far niente
dat vertelt over het verlangen 

om iets voor mij te doen
in deze luie herinnering aan haar

terwijl ze mijn pyjama klaarlegt
om straks in open lucht te slapen

samen met mijn boerende beertjes 
onder de vallende sterren van Sirmione 

donderdag 2 augustus 2018


In het manisch gebabbel van de trein
gaan blikken uit elkaar, parkeren ogen 
op lichte zomerkledij aan de andere kant
van het gangpad. Giftig en onverdraaglijk
is de jaloerse blik van een oude man 
die slapen wil onder zijn superieure frons.

Onder mijn vervoerbewijs ligt Rimbaud, 
dealer in louche verzen, een seizoen lang 
te luieren in de hel van Ethiopië. 
Waarom vluchtte hij voor het puin 
van modernisme dat hij achterliet?
Alle ogen zijn nu op mij gericht.

In de tippelzone van mijn begeren 
kies ik voor een landschap van het verzwijgen.
De conducteur is hulpelozer dan ik dacht.
Ik lees de bange dooltocht van zijn ogen.
Rimbaud reist altijd mee, denk ik luidop. 
Anders bleef deze hitte zonder intrige.

vrijdag 13 juli 2018


Dankzij jou

ben ik verliefd op de duisternis
van wat je niet krijgen kan.

De tijd daar is onzichtbaar,
dat is ons probleem.

Dankzij jou

kan ik liefhebben zonder verwachtingen,
omdat ik het afstand nemen als een kunst leer kennen.

Ik heb het zelf moeten leren.
In het ontberen.

Samen met jou

weet ik wanneer ik alleen moet zijn.
Door wat me nooit verteld werd over de liefde.

Lees mijn woorden, en vind ze hoopvol,
zoals ik het ochtendgloren. Naast jou.

zondag 1 juli 2018



                       — vier decennia geleden —
je moest van anderen de onvervulde wensen dulden
van schoolmeesters hun extatische kermiskreten
bij je liefje wilde je een onverbeterlijk gevoel veinzen
maar over de luizen van je hart diende je pijnlijk te zwijgen

                       — twee decennia geleden —
je ondermijnde alle wensen met munitie van rake kritiek
en verraste je leraars dat het toch nog goedkwam met jou
een partner wilde leven van je vurige drang, werd ziek
van de beproeving waar je aan ten onder ging, in de kou

                        — vandaag —
vervals de dagen die zich met heimelijk geluk vulden
de sluwe maskerade van je geheugen wil het niet weten
dat je ontgoocheld nu zucht: het leven, ’t is peinzen
waarom het zich uitgeeft voor iets dat je niét kan krijgen

donderdag 21 juni 2018



Steek een paar keer de taalgrens over
met mousserende wijn en nostalgie
voor je exil forcé bij een oude beminde.
Trap op de bloem en verontschuldig je,

aan het einde van een dag die je niet zinde,
voor je assignation d’identité in een Frans
dat bij zomerse onweers past,
omdat ze je met zoete éclairs heeft verrast.

In de herberg zwijg je even.
Je verbeeldingskracht is er beperkt
alsof je bent ingebakerd, zodat de warmte
van je lichaam weer eens aanstoot zal geven.

Voor vakanties van vier nachten
hoef je niet helemaal zen te zijn. 
Een japans jasje volstaat
als logisch alternatief.

Alles is zelfverdediging in de natuur
die te kijk ligt in de ogen van je liefde:
een harde praktijk van overleven
in achterstallige kansen, zonder censuur.

donderdag 24 mei 2018


EEN HEL

ik heb mezelf gezien vanmorgen:
om vijf uur stond een man op 
om zijn glas te dumpen in de container 

als iedereen dat nu eens deed,
dacht die man, alleen in zijn pyjama,
en hij droomde van een festival 
met oorverdovende straatpercussie

als iedereen nu eens voor dag en dauw
wakker zou worden om op te staan
tegen de leegte van deze tijd 
en niet alleen in die erbarmelijke dromen

elders in de stad wachtte een plastic doosje,
japans eenvoudig, op de boterhammen
van een moeder voor haar kind

het wist niet dat het eindigen zou
in de grote blauwe oceaan
om straks weer op te duiken
in de maag van de man die over het water schrijft:

vissen, hoed u, zoals ik, voor een wereld
van traag verval

slaperig en gaperig
sleur ik mezelf die wereld in,
hopend dat ze de routine zal schuwen 

de wereld die nooit in vrede leeft met zichzelf,
steeds weer een ander wil zijn —  
hou toch eens op te vluchten
voor het precieuze banale 
dat zo mooi is als het zwijgt, wereld,
en roerloos achterblijft

heb je het gezien?
hoe mijn kleren mij dragen,
niet omgekeerd,
hoe ze hekelen waarom 
het lot op hen moest vallen

en waarom ze besloten hebben
te doen alsof het niemands zaken is
dat ze parasiteren op een ijdelheid
die niet van de oude man is die hier schrijft
maar van een kleermaker zonder naam
daar ginds, in broeierig zuid-oost azië
waar de toekomst al een feit is

een hel

zaterdag 28 april 2018


ADVIES VOOR EEN VERLIEFD DICHTER

ontbloot het hier en nu
van de waterige doorkijk
die snel tevreden is 
met melodieus flirtend detail
op zacht gebruinde lijven
tussen de spijlen van verlangen

matig je eeuwigheidsambitie: 
wat zich veroveren laat 
is losse vis in je handen 
die de zon willen vangen
na de stormachtige oversteek
van schoonheid in vlakke bollen 

stapel geen verzen op
achter de palissade van taal
een nimf kleedt er zich uit
in het muffe strandhokje 
waar eens de volle zee weerklonk
in een ruisend ebbe met schelpen

en word dan jezelf
wanneer de avond valt
een boot alles onder de hemel is
en de rest voor het lege blad
nog revolte in wording
van woorden die naar bed moesten

woensdag 18 april 2018



U bent van harte uitgenodigd. 
Het wordt een onvergetelijke avond.
Met luitist Floris De Rycker.
Prof. Stefaan van den Bremt leidt in.
Ik lees heel mooie verzen.
En er is een gratis glaasje rood. Of twee glaasjes.
Wees van harte welkom.


maandag 2 april 2018

Dieptetijd


Over het meer glijden. Van tijd
die tot rust is gekomen.
Met een stuurstok de diepte pijlen.
En in de strook tussen water en wind
dromen van de kitesurfer
die verraderlijk afdreef.

Als het hier en nu van land
naar water glipt,
komt een akelige herinnering boven.
Verleden houdt zich gedeisd.
Zoekt de leegte van het geheugen op.
Om dan toe te slaan, met liefde

op een verdwenen golf.
Diepte, onbenoembaar vrij.

vrijdag 16 maart 2018


Bij het water
leent een kommervolle vrouw zich 
voor een vers met fijne rimpeltjes. 
In haar rustig-droeve blik komt elk leesteken 
tot leven. Alsof we in andere nevels
hetzelfde boek lezen. Heeft ze een tuin, 

ik weet het niet, en ook haar lusten 
zullen nu wel rusten. Maar de bloemen 
zijn bij de vervaagde vijver gesukkeld,
knikkebollen in de wind 
die liefde wil oprakelen
wanneer ze de baby uit de buggy tilt, 
troostend wat hem niet zint 
aan tijd en ruimte in open lucht.

We zijn reflectie onder de staart 
van eenden die de rust verstoren. 
De tijd zal het beeld herstellen
en iets terugbrengen 
dat aan geluk doet denken.
Ik zucht. 

Het riet weet meer 
over de lichtende melancholie 
die de maan achterliet.
En morgen zijn het andere zorgen, 
dan komt het proza van de jongen 
die zijn liefje ziet in een boek 
dat ooit werd voorgelezen 
bij het water.

dinsdag 13 maart 2018

Review van 'Bart Stouten over Bach' in Pianist

Bart Stouten over Bach. Een chaconne in woorden. Literair essay. Antwerpen: Uitgeverij Vrijdag. Klara. 126 p. ISBN 9789460016066
De tijden waarin Johann Sebastian Bach als ‘gewone’, getalenteerde maar tikje te eigenwijze, cantororganist, musicus en leraar werd gezien, zijn lang voorbij. Voor de generaties na de Bach-revival in 1829 is hij een verafgode componist geworden, die met zijn muziek de harten nog steeds weet te beroeren. Men zoekt de betekenis achter elke noot die hij heeft gecomponeerd, raakt geïnspireerd door zijn muziek en probeert haar geheimen te doordringen en te verklaren.
Tussen alle oude en nieuwe onderzoeken, theorieën, reconstructies en liefdesverklaringen aan Bach valt het essay van Bart Stouten op door zijn zeer persoonlijke manier waarmee de schrijver en Klara-presentator de gevestigde Olympiër benadert. Veel meer dan in het bejubelen van deze ‘autodidact met Einbildungskraft’, is Stouten geïnteresseerd in de uitwerking van zijn muziek op het publiek, hemzelf inbegrepen. De componist inspireert hem tot het schrijven van een ‘partita in woorden’ die hij zelf met Bachs Chaconne in d vergelijkt. Hij loopt de gebeurtenissen uit Bachs leven en zijn eigen herinneringen na, bekijkt ze vanuit diverse invalshoeken en stelt zich voortdurend vragen. Om te beginnen ‘wie?’ Wie is deze ‘poet’s poet van de muziek’, die in staat is zoveel met zijn muziek te vertellen dat wij al tweehonderd jaar lang zijn dagelijkse doen en laten onder het vergrootglas leggen op zoek naar al het onverklaarbare en aangrijpende die zijn muziek zo eigen maken.
Het lijkt alsof je het essay met het potlood in de hand leest, alleen zorgt de schrijver zelf voor de opmerkingen en samenvattingen in de marges van de pagina’s. Ze begeleiden je bij het lezen, vragen om aandacht als uitroeptekens en zijn onmogelijk over het hoofd te zien. Je staat er bij stil, denkt er nog eens over na en komt er weer op terug. Dankzij deze informele inhoudsopgave, trefwoordenregister en aandachtspuntenlijst in één, word je een betrokken lezer die het verhaal samen met de schrijver stap voor stap verkent.
‘Bachs agenda’, ‘link componeren en vertolken’, ‘het onzegbare’, ‘absolute kunst, ongrijpbaar’, ‘Bach, Proust, Beckett’, ‘voetreis?’, ‘het mooiste aan Bach’, ‘improvisatie’ en zelfs ‘Bach als twaalftoonscomponist’: de opmerkingen in de marges zijn net zo interessant als de tekst van het essay zelf. Ze spreken tot de verbeelding en geven een aanzet om ook je eigen beleving van Bach nog eens te inventariseren. Inderdaad, wat is nou het mooiste aan Bach en hoe kun je het onzegbare verklanken? Op het moment dat je de vragen aan jezelf begint te stellen, ben je eigenlijk al met je eigen essay over Bachs leven en werken bezig. Voordat je het weet, ben je terug bij het begin en de vraag ‘wie?’ om Bach en de kracht van zijn muziek voor jezelf proberen te definiëren. En dat is wel een heel bijzondere uitwerking van dit inspirerende boek, die we geheel aan zijn bevlogen verteller hebben te danken. ©Olga de Kort, 2018 (gepubliceerd in Pianist, 2018, nr.1 februari)

zaterdag 3 maart 2018

Dat er een striemende wind staat
is het ergste niet. Je bibbert je problemen
weg en houd je overeind op de ijsregen
van kritiek, onder het gejank van sirenes
die in de verte met je verzen wegrijden.

Poëzie is de belofte van een klein Hawaii
met bloemen om een hals die je niet kent.
Achter je wordt gehoest, de bus rijdt weg
en daar zijn al de ukeleles van de liefde,
mannen ingeënt tegen hun woeste libido.
Dat de winter bijna voorbij is, daar ginds al,
flitst in signalen tussen het verkeer door.
De chauffeurs houden elkaar in de gaten,
de hoge hakken willen gauw naar buiten,
mijn duizelingwekkende liefdes begeleiden hen
en in welk straatje ik rijd? ik zou het niet weten,
er is geen eenzaamheid die het vertellen kan.
Alleen de blauwe schemering van een eiland,
windsurfende herinnering en de hoop dat jij,
alleen jij, me welkom heet wanneer ik thuiskom,
straks in het oude snarenspel van je zwoelheid.

vrijdag 23 februari 2018

Ik ben dankbaar omdat ik mag doen wat ik doe,
met volle zin en overgave, ongeremd en vrij
zonder dat iemand ooit vraagt naar het hoe
en waarom — o vrienden, wat maakt me dat blij
dankbaar voor de stille coupé’s van vroeg in de morgen
de eerste glimlach wanneer ik de studio binnenstorm
dat ik mijn brood met krenten aan huis mag bezorgen
maakt me gelukkig — én dat ik afwijken mag van de norm
je hebt geen idee hoe dankbaar ik ’s avonds in bed kruip
omringd door de boeken die ik in stilte mocht schrijven
uitbundige vreugde is het schuimende bier dat ik opzuip
wanneer ik denk aan jou — schoonheid die even zal blijven

zaterdag 17 februari 2018



Ik vaar op een trage boot van taal,
nader de kristallen stad 
van een waterdruppel, heel egaal. 

Engelen draaien geruisloos rond een ligfiets 
op hun marmeren blad. Een vlinder stijgt op, 
duizelend als een dronkaard in de stad. 

Als ik kon zou ik mijn boeken nemen 
en ze als oude tapijten uit het raam schudden: 
te veel stof, te veel woorden die stoorden.

Maar jij, hoe je ook bent,
kersenbloesem 
die zijn schoonheid niet kent,

jij hoeft je niet bedreigd te voelen door mijn verzen.
Al schrijf ik altijd over jou, in alle beelden, alle weelde,
het is de kou, die de lente belaagt, waar ik mee bouw.