zaterdag 17 februari 2018



Ik vaar op een trage boot van taal,
nader de kristallen stad 
van een waterdruppel, heel egaal. 

Engelen draaien geruisloos rond een ligfiets 
op hun marmeren blad. Een vlinder stijgt op, 
duizelend als een dronkaard in de stad. 

Als ik kon zou ik mijn boeken nemen 
en ze als oude tapijten uit het raam schudden: 
te veel stof, te veel woorden die stoorden.

Maar jij, hoe je ook bent,
kersenbloesem 
die zijn schoonheid niet kent,

jij hoeft je niet bedreigd te voelen door mijn verzen.
Al schrijf ik altijd over jou, in alle beelden, alle weelde,
het is de kou, die de lente belaagt, waar ik mee bouw.