zaterdag 3 maart 2018

Dat er een striemende wind staat
is het ergste niet. Je bibbert je problemen
weg en houd je overeind op de ijsregen
van kritiek, onder het gejank van sirenes
die in de verte met je verzen wegrijden.

Poëzie is de belofte van een klein Hawaii
met bloemen om een hals die je niet kent.
Achter je wordt gehoest, de bus rijdt weg
en daar zijn al de ukeleles van de liefde,
mannen ingeënt tegen hun woeste libido.
Dat de winter bijna voorbij is, daar ginds al,
flitst in signalen tussen het verkeer door.
De chauffeurs houden elkaar in de gaten,
de hoge hakken willen gauw naar buiten,
mijn duizelingwekkende liefdes begeleiden hen
en in welk straatje ik rijd? ik zou het niet weten,
er is geen eenzaamheid die het vertellen kan.
Alleen de blauwe schemering van een eiland,
windsurfende herinnering en de hoop dat jij,
alleen jij, me welkom heet wanneer ik thuiskom,
straks in het oude snarenspel van je zwoelheid.