vrijdag 16 maart 2018


Bij het water
leent een kommervolle vrouw zich 
voor een vers met fijne rimpeltjes. 
In haar rustig-droeve blik komt elk leesteken 
tot leven. Alsof we in andere nevels
hetzelfde boek lezen. Heeft ze een tuin, 

ik weet het niet, en ook haar lusten 
zullen nu wel rusten. Maar de bloemen 
zijn bij de vervaagde vijver gesukkeld,
knikkebollen in de wind 
die liefde wil oprakelen
wanneer ze de baby uit de buggy tilt, 
troostend wat hem niet zint 
aan tijd en ruimte in open lucht.

We zijn reflectie onder de staart 
van eenden die de rust verstoren. 
De tijd zal het beeld herstellen
en iets terugbrengen 
dat aan geluk doet denken.
Ik zucht. 

Het riet weet meer 
over de lichtende melancholie 
die de maan achterliet.
En morgen zijn het andere zorgen, 
dan komt het proza van de jongen 
die zijn liefje ziet in een boek 
dat ooit werd voorgelezen 
bij het water.