donderdag 24 mei 2018


EEN HEL

ik heb mezelf gezien vanmorgen:
om vijf uur stond een man op 
om zijn glas te dumpen in de container 

als iedereen dat nu eens deed,
dacht die man, alleen in zijn pyjama,
en hij droomde van een festival 
met oorverdovende straatpercussie

als iedereen nu eens voor dag en dauw
wakker zou worden om op te staan
tegen de leegte van deze tijd 
en niet alleen in die erbarmelijke dromen

elders in de stad wachtte een plastic doosje,
japans eenvoudig, op de boterhammen
van een moeder voor haar kind

het wist niet dat het eindigen zou
in de grote blauwe oceaan
om straks weer op te duiken
in de maag van de man die over het water schrijft:

vissen, hoed u, zoals ik, voor een wereld
van traag verval

slaperig en gaperig
sleur ik mezelf die wereld in,
hopend dat ze de routine zal schuwen 

de wereld die nooit in vrede leeft met zichzelf,
steeds weer een ander wil zijn —  
hou toch eens op te vluchten
voor het precieuze banale 
dat zo mooi is als het zwijgt, wereld,
en roerloos achterblijft

heb je het gezien?
hoe mijn kleren mij dragen,
niet omgekeerd,
hoe ze hekelen waarom 
het lot op hen moest vallen

en waarom ze besloten hebben
te doen alsof het niemands zaken is
dat ze parasiteren op een ijdelheid
die niet van de oude man is die hier schrijft
maar van een kleermaker zonder naam
daar ginds, in broeierig zuid-oost azië
waar de toekomst al een feit is

een hel