vrijdag 21 september 2018

— Late zomer. —
Er ligt een malse matras
op de vloer van mijn alleen-zijn, 
er wappert een geruite stofdoek
van gebezigde liefde aan mijn raam.

— Vroege avond. —
Dit is de plek waar verzen rijzen
en zweven als deeltjes in het licht
van een starende blik, een knik
verwijderd van de eerste slaap.

— Sluipend donker. —
Mijn bibliotheek is een boerderij
van schriften en schoolherinnering. 
Ik tel de ingekleurde vlinders
en schenk ze hun poederig leven.

— Gordijnen dicht. —
Kleiner wordt mijn verzamelwoede,
groter het verlangen naar beeld
en taal voor geurige bloemen.
De waarheid? Een geschikt boeket. 

— Droom met zaad. — 
De rechten die ik uitkies 
om mijn gelijk te halen
zijn die van de mens, 
wiens woord ontnomen werd.

— Eeuwig maanlicht. —
Toch ben ik een dichter
en zal je weervinden. 
Voorbij de liefde die wankelt
als een grafzerk met slakkensporen.


zaterdag 15 september 2018


Het is niet eenvoudig om te begrijpen
waarom de stad slaapt wanneer ik haar bemin.

De lege straten, dromend, laten hun rem los,
wanneer ik mee fiets naar de ochtend van straks, 
kille verwoesting van een universum, alleen voor mij.

Bij de grens tussen mezelf en het andere
piepen de banden van een oud verdriet.  

Het kijkt naar zichzelf in de glasdeur van mijn café,
boven de spuitverf van toegewijde verveling —
was het hier dat ik, fysiek lichaam bij de tapkast

van dronken toekomst, begon te flirten met een illusie?
Was het hier dat het rumoer in stilte veranderde

toen jij bij mij kwam staan, en me op de schouder klopte
alsof je de nacht zelf was die naar me toe kwam

om te vertellen dat het tijd werd om naar huis te gaan?

zaterdag 1 september 2018


(Gedicht geschreven voor Chantal de Waele, die vandaag afscheid neemt op Klara met Schuberts 'Schwanengesang'.)


Zacht smeken is jouw Schubert,
in geil maanlicht van tijd,
ijle zangen bij sensueel woord,
dagen van koud begeren
die alleen Heine nog kent.

Kom bij me, klank, beneden,
in het ruisende woud,
mijn verborgen liefdesoord, 
waar ik je schoonheid wil eren
met Rellstab in mijn armen.

Vlij je neer, nu het nog kan,
onder de ritselende kruinen
van herboren verlangen
en luister naar mijn verzen —
bazuinen in onderaardse gangen

Want alleen Seidl weet het best
dat je geborgen bent in kerkers
met zilverachtige muziek,
een trillende diepte
die alleen jij en ik gaan horen.


Ik moet nooit bang zijn voor een sigaret
wanneer ik mezelf voel wegdoezelen.
De enige beroezing die welterusten zegt
tegen de vemoeide wereld in mijn hoofd
is je stem, gehoord toen je me nodig had.

Het waren jaren met trage ademhaling.
Je zei dat je er was voor mij — en ik keek rond
om te ontdekken of er iets brandde in mijn hart.
Geen idee wat de rozen uitspookten in de tuin,
het raam stond open, de regen ruimde puin.

Als jij dat wil, zei ik, toen ik buitenkwam
om te harken in de nieuwe aarde, 
plant ik de boom van onze toekomst
die bij een vijver mag staan, hij rilt al
in dromen die er gisteren nog niet waren.

Nu val ik in slaap wanneer je oude woorden
als bezoekers uit mijn geheugen worden geleid.
Ik deed wat ik kon voor jou, en ook jij zag plots
dat alles wederkerig werd in de wind.
We zoenden elkaar, herfst werd bloesem

en ik had het juiste seizoen gekozen, 
de zon werd een rode vuurbol
die ik voor geen goud had willen missen,
laaiende passie die nu mijn ogen sluit.